|
|
|
|
De bevoorrechte rol van het huis bestaat niet in het huis als doeleinde van de menselijke activiteit, maar als de conditie daarvan, en in die zin als begin. De inkeer die noodzakelijk is, wil de natuur voorgesteld en bewerkt kunnen worden, om als wereld contouren te kunnen krijgen, voltrekt zich als huis. De mens houdt zich op in de wereld alsof hij daar aangekomen is vanuit een privé-domein, vanuit een thuis, waarin hij zich ieder ogenblik weer kan terugtrekken. Hij komt er niet vanuit een interstellaire ruimte waar hij al meester zou zijn van zichzelf en van waaruit hij telkens weer een landing vol gevaren zou moeten ondernemen. Maar hij bevindt zich er niet alsof hij er plompverloren ingeworpen en achtergelaten was. Tegelijkertijd buiten en binnen, gaat hij naar buiten vanuit een intimiteit.
Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) pag. 176
Het wonen voorstellen als bewustwording van een bepaalde conjunctie van menselijke lichamen en gebouwen, betekent het buiten beschouwing laten, het vergeten van de uitstorting van het bewustzijn in de dingen, wat voor het bewustzijn niet neerkomt op een voorstelling van de dingen maar op een specifieke intentionaliteit van concretisering. Men kan deze zo formuleren: het bewustzijn van een wereld is al bewustzijn via deze wereld. Iets uit die geziene wereld is orgaan of wezenlijk middel voor het zien: het hoofd, het oog, de bril, het licht, de lampen, de boeken, de school. Heel de civilisatie door middel van arbeid en bezit ontstaat als concretisering van het gescheiden zijnde dat zijn scheiding voltrekt. Deze beschaving verwijst echter naar de incarnatie van het bewustzijn en naar het wonen - naar het bestaan vanuit de intimiteit van een huis - als eerste concretisering.
Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) pag. 177-178
|
|
|
canandanann 07-04-2011 |