03 thuis niet thuis
Start Omhoog

 

               


3. Thuis en niet thuis in de wereld

 

3.1 Thuis: wonen in de wereld (Heimat)

 

3.2 Niet thuis in de wereld

 

3.3 De gevangenis als wereld

 

A. Het lichaam in de oorlog - als voorbeeld de Eerste Wereldoorlog

 

B. Lichamen geconcentreerd ter vernietiging, het concentratiekamp - de Tweede Wereldoorlog

 

C. Het lichaam als object van het martelen

 

3.4. De wereld als gevangenis

A. Vlucht uit de wereld

B. Het lichaam verlaten

C. Zelfdoding

 

 


3. Thuis en niet thuis in de wereld

 

 

“Durch ein Staunen werden wir geboren,

durch ein anderes werden wir sterben.

 

Leben ist, dieses Staunen abzulegen.

Es sei denn, das Geburt und Tod

Tod und Geburt sind.

 

Das Leben wäre dann ein weiteres Staunen:

das dritte.

 

Das untragbarste.”

Roberto Juarroz - Vertikale Poesie[i]

 

 

 


3.1 Thuis: wonen in de wereld (Heimat)

 

 

“Thuis

 

Verrassing

na zolang

door een liefde

 

Ik meende dat ik haar had laten slingeren

door de wereld”

Giuseppe Ungaretti[ii]

 

 

 

Emmanuel Levinas heeft in zijn werk “Totalité et Infinité” een beschrijving gegeven van het wonen, het zich thuis voelen en als het ware ‘nestelen’ in de wereld.[iii] Het huis is de ruimte waarin gewoond kan worden, een privé-domein in de wereld. Een huis dat als toevluchtsoord dient voor elke dag, waar het dagelijks leven gesleten wordt en waar de nacht wordt doorgebracht. Het huis staat voor de persoon die het bewoont, het draagt zijn kleur, de inrichting getuigt van de smaak en de voorkeuren van zijn bewoners. Het huis kent (meestal) kamers met eigen functies. Zo is het traditionele Japanse huis een model voor een wijze van leven en denken. Verticale en horizontale dimensie hebben een eigen betekenis. Hoe dieper in het huis, hoe meer privé de ruimte. De horizontale dimensie staat voor de sociale relaties, de verticale voor de relatie met de hemel. Verplaatsbare wanden herdefiniëren de ruimte en het gebruik ervan. Het huis in een grote stad, het huis in een dorp, of in een gemeenschap op het platteland in Europa, Azië of Afrika leert ons hoe de mensen in het leven staan en hoe zij tegen de wereld aankijken. Het huis zou je een tweede huid om het lichaam kunnen noemen. Het is geen heterotopie, geen andere plaats, maar een eigen plaats, een voorwaarde om te leven als mens, als auto-topie in een zinvolle context.[iv] Een mens “van huis en haard verdreven” is een ontheemde mens, een mens zonder ‘heem’/‘Heimat’, zonder thuis. Het huis en de woonplek draagt herinneringen met zich mee en zijn daarom kostbaar. In het huis worden ze bewaard via foto’s, boeken, sieraden, objecten die voor de bewoners betekenis hebben. Ook de herinnering aan mooie gebeurtenissen krijgen een bijzondere plaats zoals de trouwfoto, de foto’s van kleine kinderen, ze vormen een samenballing van momenten van genieten. In noodsituaties kan de herinnering aan het genieten een redmiddel zijn om de moed niet op te geven.[v] Robert Antelme beschrijft deze ervaring aan de hand van het roosteren van wat aardappels in een werkkamp waar hij als gevangene opgesloten zit tijdens de Tweede Wereldoorlog.[vi]

Als mens word je in de wereld geboren, “hinein” - “geworfen” zou Heidegger zeggen. Wat bedoelt Heidegger met de wereld in deze? Welke concrete ruimte heeft hij op het oog? Is het de wereld als zinhorizon? Welke vooronderstellingen worden hier niet uitgesproken met betrekking tot de concrete wereld?[vii]  Voor Heidegger nemen de begrippen thuis (Heimat) (thuiskomst) en heimwee in navolging van Hölderlin een belangrijke plaats is als hij spreekt over de wereld als Dasein. Een wereld die wij nooit kunnen verlaten en loslaten, die deel uitmaakt van ons wezen. De wereld waarin Heidegger opgroeide en leefde, het Zwarte Woud, de poëzie van het landschap hebben zijn wereldbeeld gekleurd en klinken door in zijn denken. Dat is een aanwijzing voor het feit dat het wonen in de wereld een vorm van persoonlijk existeren is die nauw aansluit bij de lichamelijke ervaringen van het zelf. Het abstraheren van dit persoonlijke karakter miskent niet alleen de uniciteit van de waarde ervan voor het subject maar maakt ook iets algemeen wat in zijn bijzonderheid niet te veralgemeniseren valt. Concreet: gelden de beschrijvingen van Heidegger ook in een andere context zoals voor de trekkende nomaden in Tibet en Mongolië, voor de Bosjesmannen in Afrika en Aboriginals in Australië, de eskimo’s in Groenland. En omgekeerd, het landschap werpt ook zijn schaduw op het denken. Simon Schama laat in “Landscape en Memory” zien welke rol het landschap in de beleving ervan en de omgang ermee speelt in onze cultuur en ons denken.[viii]

De leefwereld van de mens bestond voordat de hedendaagse mogelijkheden om te reizen er waren voor de meesten uit een kleine habitat. Een overzichtelijke leefwereld. Van oudsher is de mens een wezen dat zijn habitat geschapen heeft in een wereld die niet op de mens was ingericht.[ix] Met hulp van de grondstoffen die de mens aantrof en met zijn vernuft heeft hij delen van de natuurlijke wereld omgezet in cultuur. Cultuur is wereld die leefwereld is geworden. Vaak een leefwereld voor miljoenen tegelijk met alle mogelijke voorzieningen en logistieke mogelijkheden. De grote steden zijn daarvan een sprekend bewijs. Toch wonen wij eigenlijk nog op de oude wijze: ieder gezin voor zich, allemaal in kleine wooneenheden met het huis als privé-domein, dus deel van het lichaam als auto-topie. Maar de natuurlijke omstandigheden waarin het wonen van de mens deel uitmaakte van een leefmilieu zonder al te grote belastingen voor dit milieu liggen ver achter ons in de geschiedenis. Het effect op de natuurlijke leefwereld van talloze dieren en planten is reusachtig. Wij leven nu in de tijd dat onze hele aarde een soort habitat  is geworden. Ze kan met verre reizen worden verkend en ervaren als een globus.[x] Ons handelen krijgt een globale dimensie met een globale verantwoordelijkheid. Maar de globale effecten van ons handelen op het gebied van milieu en omgeving kunnen naast de gruwelijke beelden van vervuilde delen van de aarde alleen nog maar met onnauwkeurige modellen worden nagebootst. De wereld als aarde is op dit moment nog te groot en te onvoorspelbaar voor onze wiskundige extrapolaties en pogingen om te manipuleren zoals de poging om het milieu naar onze hand te zetten door bijvoorbeeld de vermoede opwarming van de aarde te reguleren.

De meesten hebben tot nu toe (nog) niet de gelegenheid om de aarde te verlaten via bijvoorbeeld een ruimteschip. Als in de toekomst ruimtereizen mogelijk worden en het deel van ons melkwegstelsel kan worden verkend (en misschien bewoond) worden de perspectieven weer anders.

 

Thuisgevoel: binnen en buiten

 

De opgroeiende mens leert langzaam en stukje voor beetje de omringende wereld kennen door een verkenning van de buitenwereld. Dit kan alleen maar plaatsvinden vanuit een vertrouwdheid, een vorm van veilig verkennen van de wereld.[xi] Als de wereld ervaren wordt als een grote boze buitenwereld is er geen sprake van verkenning maar van beschermingsmechanismen ontwikkelen en zich afschermen. Beveiliging is dan het motto, zelfbescherming, proberen te overleven. Het begrip ‘getto-mentaliteit’ duidt in die richting, proberen ik in leven te blijven, opboksen tegen de heersende onderdrukkende omstandigheden. Dat kan van alles zijn: armoede, geweld, ongeletterdheid, terreur van overheid en/of straatbendes, criminele organisaties. Bewoners van zogenaamde narco-staten zoals Mexico, vooral de grensplaatsen die fungeren als doorvoerhaven van drugs en mensensmokkel, kunnen erover meepraten.

Door de toegenomen reis - en vervoersmogelijkheden treedt er niet alleen schaalvergroting op in de beleving van de wereld als aarde/globus maar wordt die ervaring ook complexer en vergt het meer inspanning om jouw beeld van de wereld als wereld coherent samen te stellen. Als je overal bent geweest en overal wilt zijn, ben je misschien nergens meer echt thuis. Dan zijn in principe veel plaatsen geschikt om te wonen en te leven. Wonen in de wereld is het resultaat van ervaring en visie. Visie als keuze om te leven zoals jij wil, zodat jij als mens tot z’n recht komt. Het huis inrichten wil zeggen je leven inkleuren. Het is dus vooral ook denken aan een thuis, een basis, een plek waar je voelt dat je er helemaal mag zijn.[xii]

Thuis staat tegenover vreemd, en vreemd is anders, is niet-thuis. Een hotelkamer is een tijdelijk verblijf, geen thuis. Wonen vindt plaats in een thuis. Alles wat niet thuis is valt moeilijk te bewonen zonder dat aan het verlangen van het subject als zelf tekort wordt gedaan. Dan is het leven aanpassen, zich voortdurend schikken naar de omstandigheden, voortdurend actief, op weg, rusteloos. Anders vraagt aanpassing en op je hoede zijn, totdat deze plaats eventueel een thuis wordt. Het zou interessant zijn om te onderzoeken of de toename aan reismogelijkheden en het daadwerkelijk reizen op grote schaal voor een deel van de mensheid ook een verlies aan thuiservaringen met zich mee heeft gebracht en wat daarvan dan de betekenis is.

Naast het verkennen van de wereld door het zelf bestaat er ook zoiets als een uitbreiding/extensie van het zelf over de wereld. In de verkenning van de wereld haalt het zelf als het ware dingen naar binnen, de belevingswereld binnen. In de extensie van het zelf worden dingen naar buiten gebracht, legt het zelf de wereld zijn ideeën en gedragingen op. Het is een extensivering van het zelf. In de ontwikkeling van het zelf worden ervaringen opgeslagen en gaan zij deel uitmaken van het zelf. Het zelf wordt zo een uitgebreid zelf met invloeden van buiten. Omgekeerd probeert dit zelf ook invloed uit te oefenen op de wereld buiten zichzelf. We kunnen dit een vorm van kolonialisering van de wereld noemen, een vorm van imperialisme. In de filosofie van E. Levinas wordt gesproken over het men, de derde persoon enkelvoud, die niet een ik of een jij is, maar een onzijdigheid die zich uitbreidt over de wereld.[xiii] Die onzijdigheid wordt ook zichtbaar in ons taalgebruik als gesproken wordt over ‘wij’ terwijl het over een subject gaat (een uitbreiding van het subject als persoon met de bedoeling het argument meer gewicht te verlenen). Of de formuleringen die gebruik maken van het notie dat het vanzelfsprekend is zo te denken of te handelen terwijl dat slechts voor een of voor weinig personen geldt. Ronald Barthes heeft dit proces geanalyseerd in het dagelijkse spreken en hij benoemt dit spreken mythisch, het is een vorm van ideologisch taalgebruik, een vorm van de werkelijkheid taalkundig naar je hand zetten.[xiv]

Spreekwoorden zijn een samenballing van betekenis die in deze zin vaak worden ingezet. Talloos zijn de spreekwoorden in onze taal die het ‘thuisgevoel’ en het verkennen van de wereld ter sprake brengen.[xv] Formuleren deze spreekwoorden daarmee een fundamentele waarheid? Alle grote reisverhalen, ook de religieuze, (en de sprookjes) starten de reis om een keer ergens thuis te komen, het land van belofte. Het kan de beschrijving van een groeiproces gericht op transformatie worden genoemd. Reizen om te ontdekken wie je bent, wat je kwaliteiten zijn en waar het uiteindelijk om draait in je leven. “En ze leefden nog lang en gelukkig” als ze eindelijk na alle omzwervingen en avonturen thuis zijn gekomen, als de draak is verslagen en het meisje gered. Eenmaal thuis is de noodzaak voor een nieuwe reis, een nieuwe ontdekkingstocht, eigenlijk voorbij, of het zou al moeten zijn om economische redenen. Economie en kapitaal hebben het reizen tot een vanzelfsprekendheid gemaakt. Ontdaan van alle heldendom is het reizen nu eerder vervoeren van mensen en goederen. Vanaf de 16e eeuw werd het maken van reizen gemotiveerd door de wetenschap en drang om te ontdekken.[xvi] In onze tijd is het toerisme het fenomeen dat het reizen bevordert. Ton Lemaire doet in de “filosofie van het landschap” daar uitgebreid verslag van en hij laat zien hoe dit toerisme als verkenning van ‘nieuw landschap’ ook teruggrijpt op oude diepgewortelde verlangens.[xvii] In de naaste toekomst zal de ruimte om de aarde reisbestemming worden. Als wij ons kunnen aanpassen aan nieuwe (technische) levenscondities in de ruimte zal deze zeker verkend gaan worden en waarschijnlijk bewoond door mensen in ruimteschepen. Wat nu nog science fiction lijkt is sneller mogelijk dan we misschien zullen denken.

Virtueel reizen is sinds de invoering van de computer een andere nieuwe mogelijkheid. Jos de Mul spreekt over een cyberspace odyssee met nieuwe (utopische) mogelijkheden van reizen door ruimte en door tijd.[xviii] Science fiction films laten zien hoe de verplaatsing van lichamen plaatsvindt door dematerialisatie en de aanwezigheid van lichamen wordt voorgespiegeld door hologrammen. Als deze mogelijkheden waar worden zal dat een fundamenteel impact hebben op de beleving van ons lichaam in relatie met de notie binnen-buiten. Ook het zelfbeeld en het wereldbeeld zullen dan niet meer hetzelfde zijn voor het concrete individu dat dan bij dematerialisatie samenvalt met zijn materie die zijn lichaam uitmaakt. De meest radicale materialisten in de filosofie zullen dan gelijk krijgen dat het lichaam en de mens eerst en vooral materie is en niets meer.

 

 


3.2 Niet thuis in de wereld

 

 

“Lied

 

Die Zeit hat Furcht.

Die Furcht hat Zeit.

Die Furcht

 

spaziert durch mein Blut,

entreißt mir meine beste Früchte,

reißt meine beklagenswerte Mauer nieder.

 

Zerstörung aus Zerstörungen,

nur Zerstörung

und Furcht,

viel Furcht,

Furcht.”

 

Alejandra Pizarnik[xix]

 

 

 

Er zijn vele manieren waarop je de wereld waarin je leeft en woont als vreemd kunt ervaren, als niet meer ‘thuis’. Het ‘thuisgevoel’ heeft te maken met een aantal factoren waarvan veiligheid en het ontbreken van angst er een van is. Zich kunnen ontplooien en zijn die men wil zijn op dat moment, is een andere belangrijke factor. Als ontplooiing en een perspectief op verandering respectievelijk verbetering niet meer mogelijk zijn, als angst gaat overheersen, als er voortdurend een gevoel van onveiligheid en bedreiging heerst, reageert een mens op deze bedreigingen. Tegelijkertijd treedt een gevoel van onbehagen op. Dat onbehagen is maar tot een zekere hoogte vol te houden en gedurende een afgebakende tijdspanne. Als er geen perspectief aanwezig is dat het zal ophouden kan de psyche ernstig ontregeld worden. De persoon in kwestie geeft zichzelf dan op: hij is niet meer te helpen en niemand kan hem meer helpen, tenminste dat denkt hij.

Kijken we nauwkeurig naar de omstandigheden waarin dit kan optreden dan kunnen we grofweg onderscheiden tussen uiterlijke omstandigheden die dit proces kunnen bevorderen en innerlijke omstandigheden die hiertoe kunnen leiden. In het laatste geval hebben we het dan over psychopathologie. Ik noem een paar voorbeelden van uiterlijke en innerlijke omstandigheden.

 

 

 “Unheimliche” wereld

 

De wereld kan “unheimlich”[xx] worden in de letterlijke zin van het woord als je wordt opgepakt als vijand van een regime. Dat is een andere invulling van het begrip Unheimlich als de Heideggeriaanse die een kenmerk is voor de wereld als zodanig en waarvoor de mens bang is: “Das Fürchten um als Sichfürchten vor erschliesst immer - ob privativ oder positiv - gleichursprünglich das innerweltliche Seiende in seiner Bedrohlichkeit und das In-Sein hinsichtlich seiner Bedrohtheit. Furcht ist ein Modus der Befindlichkeit”.[xxi] Angst en vrees zijn dus een modus van het bestaan als zodanig volgens Heidegger. Maar ik spreek over een nog heel andere dreiging, los van het feit of Heidegger gelijk heeft. Hier gaat het om het naakte geweld dat in de wereld zichtbaar wordt. Niet alleen sciencefiction films brengen dit in beeld. Ook een genre als de film noir kan laten zien dat mensen hun houvast in de maatschappij verliezen. In Japan zijn er verzamelplekken waar werknemers die ontslagen zijn wonen als zwervers omdat zij hun eigen gezin en familie uit schaamte niet meer onder ogen durven komen. In een film als de Matrix-trilogie is de wereld niet wat ze lijkt: de werkelijkheid is donker, hels en bedreigend. Wat de mensen wordt voorgespiegeld, terwijl ze verbonden zijn aan een baarmoeder/voedmachine, is virtueel. De wereld wordt bestuurd door machines en daarin is geen hoofdrol weggelegd voor mensen. Deze worden als energiebron gebruikt in een reusachtig complex. De wereld van de techniek, de robots en de mechanisering hebben hier de evolutionaire touwtjes in handen gekregen. Een omkering van het menselijk perspectief als gevolg van menselijk falen en industrieel vernuft. Het lichaam als zelfplaats komt in een nieuwe ruimte waarin het vertrouwde ontbreekt. Hij moet zijn weg leren vinden in een nieuwe wereld. Het zelf moet zich opnieuw oriënteren in de wereld. Ook de wereld is veranderd als leefruimte, als vertrouwde omgeving. De hoofdpersoon in de Matrix moet zich als het ware opnieuw zelf uitvinden. Tijdens dat proces zet hij de weg uit voor zijn volgelingen die in hem een nieuwe Messias zien, een tegenkracht tegen de machines, een verlosser uit de virtuele gevangenis. Het lichaam als vechtmachine wordt ingezet om een verloren gegane vrijheid te veroveren, een vrijheid die op de eerste plaats een herwonnen vrijheid is over het eigen lichaam en de eigen gedachten. De film laat zien dat als je enkele aspecten van de menselijke lichamelijke werkelijkheid in een nieuwe context brengt, in dit geval, de koppeling van het lichaam aan een tijdloze baarmoedermachine, via een plug in de nek, dat daarmee het hele wereldbeeld en zelfbeeld van de personen gaat kantelen. Eenmaal losgekoppeld, wakker geworden uit hun virtuele droom wacht hun een gruwelijke ontdekking en een hevige strijd tegen de machines, producten van eenzelfde intelligentie als de baarmoedermachine.

Films in dit genre verkennen de menselijke mogelijkheden. Ze projecteren in de toekomst nieuwe verwachtingen en geven daarmee de fantasie vleugels. De beeldtaal is er echter meestal steeds eentje van geweld, van overleven, van terugval in primitieve situaties, van vechten tegen een overmacht. Het is een uitvergrote sprookjeswereld. De films die serieus het scenario van een tot ondergang gedoemde mensheid proberen te schetsen, een ondergang meestal door de mens zelf veroorzaakt, vallen ook terug op de biologische overlevingsdrang van de mens die hem in deze nieuwe situatie op de been moet houden. Daarmee is het patroon duidelijk: het lichaam moet zich manifesteren tegen een overmacht van geweld in, het moet in een heterotopie zich opnieuw leren aanpassen en valt daarbij terug op ‘oude’ dat wil zeggen bekende mechanismen die wij al uit de evolutie van de mensheid kennen.

Naast de fantasiewereld van de film en de literatuur zijn er ook ervaarbare echte bedreigingen in ons leven.  Verlies van vertrouwde waarden en normen, van ‘zekerheden’ waar tot nu toe je leven op was gebouwd, werk, relaties, een gezin, familie, een geestelijk houvast, geloof, rituelen en andere vormen van houvast, kunnen ertoe leiden dat de wereld als vreemd en vijandig wordt ervaren. Wij zien dan ook dat zwervers op basis van hun dagelijkse ervaring anders in het leven komen te staan dan daarvoor. Zij ervaren de wereld op een nieuwe wijze. Door omstandigheden gedwongen raken ze werk en woning kwijt en belanden op straat als dakloze. Daar moeten ze zich zien te redden. Ze zijn als het ware uit hun vertrouwde wereld gevallen en wakker geworden in wat voor velen een nachtmerrie lijkt. In landen waar geen sociaal vangnet is of waar dat slecht ontwikkeld is lopen velen dit gevaar bij verslechterde economische omstandigheden

 

Werelden in het hoofd

 

Naast uiterlijke omstandigheden, situaties die je kunnen overkomen, al dan niet door eigen schuld of door acties van anderen, kan een depressie optreden, of een andere ziekte uit het pathologische spectrum. Ook dan wordt de wereld vreemd en voel je je niet meer thuis. Veel gedrag tijdens een ziektebeeld als depressie kan misschien worden beschreven als een vertwijfelde poging hiermee klaar te worden en opnieuw een plek te vinden in de wereld.[xxii] Als de persoon in kwestie geen uitweg meer ziet om iets aan zijn situatie te veranderen kan hij het ook opgeven en dan wordt de weg naar zelfdoding het enige perspectief: een einde maken aan het ervaren leed, onmacht en uitzichtloosheid. Hoe goed doordacht en voorbereid, hoe vastberaden volgehouden en uitgevoerd, het moment dat de persoon besluit het werkelijk te doen, werkelijk een eind aan het leven te maken is meestal niet in een roes.  Het wilsbesluit moeten worden omgezet in een daad en het lichaam moet misschien worden gedwongen zoals bij verdrinking. Hoe lichaam en geest precies samenhangen en samenwerken bij pathologische ziektes is object van studie, niet in het minst bij de producenten van medicijnen. Daarmee is voldoende aangegeven dat de lichamelijke component bij deze ziektes een grote rol speelt en dat het niet alleen een kwestie is van psychologie. Psychologische studies zullen het belang van de invloed van het lichaam in deze in hun studie consequent moeten betrekken. De naaste toekomst zal nog meer dan nu het geval is laten zien hoe minuscule kleine hoeveelheden stof invloed kunnen hebben op de beleving van de werkelijkheid.

 

 


 

3.3 De gevangenis als wereld

 

“Die das Weinen vergessen,

werden eines Tages

trotz ihrer Beklemmung

zur Quelle zurückkehren müssen.

 

Eines Tages werden sie empfinden,

dass der Mangel an Tränen

jedwedes Gesicht letztlich auslöscht,

auch wenn es Gottes ist.”

Roberto Juarroz - Vertikale Poesie [xxiii]

 

 

De wereld kan op veel manieren een gevangenis zijn, een vorm van extreme heterotopie. Oorlog is er een van: opeens gelden er andere regels dan in een democratie in vredestijd. Een zekere urgentie om het land te verdedigen of om oorlogsdoelen te halen zet de maatschappij op zijn kop. Als je als burger andere prioriteiten hebt, als je niet wilt meewerken, bijvoorbeeld al door dienstweigering, vorm je een probleem voor de autoriteiten. Gevangenschap of een andere straf volgen. Ook voor de soldaten die deelnemen aan de oorlog wordt hun leven omgegooid. Zij worden onderdeel van een machinerie waar zij geen invloed op hebben. Getuigenissen uit bijvoorbeeld de Eerste Wereldoorlog maken dit duidelijk.

De Tweede Wereldoorlog heeft laten zien dat miljoenen mensen gevangen zijn gezet en vervolgens vermoord. Ook voor hen werd de wereld een grote gevangenis. Zij die niet in staat waren om te vluchten naar de zogenaamde vrije wereld werden opgepakt en opgesloten om daarna getransporteerd te worden naar bestemmingen waar hen de dood wachtte. Nazi-Duitsland was in het uitmoorden op racistische gronden van zogenaamde tegenstanders niet uniek. De industriële vernietiging van de joden en vele anderen via vergassing, dwangarbeid en ondervoeding is niet meer op een dergelijke schaal als georganiseerde methode toepast en is een unicum in de geschiedenis van wreedheid. Voor en na de nazi’s waren er anderen die zich van hun zogenaamde vijanden ontdeden. Het eufemistisch begrip ‘culturele revolutie’ in China in de jaren 1966- tot ruwweg 1976 heeft eveneens miljoenen burgers het leven gekost zonder dat het ‘vrije Westen’ een vinger heeft uitgestoken om dat proces daadwerkelijk te beïnvloeden. Het zelfde verhaal over wreedheid, opsluiting en moord kan worden verteld ten aanzien van het Stalinistische Rusland en daarna[xxiv] en bijvoorbeeld het huidige Noord-Korea. Dat is des te schrijnender omdat in 1945 door vele regeringsleiders plechtig werd gezworen dat wat zich had afgespeeld in de Tweede Wereldoorlog, genocide op wereldschaal, nooit meer zou mogen worden gedoogd.

In principe kan elk land het gevaar lopen om een gevangenis te worden in de vorm van een dictatuur. Voorbeelden na 1945 zijn diverse landen in Latijns-Amerika (Brazilië, Argentinië, Uruguay, Paraguay, Chili, Colombia o.a.), in Europa (Griekenland,Portugal, Servië, Albanië, Hongarije, het voormalige Oost-Duitsland - de DDR, Polen, Roemenië o.a.) en in Afrika en Azië (Irak, Iran). Soms is minder documentatie beschikbaar maar vandaag spannen Noord-Korea en het voormalige Birma, tegenwoordig Myanmar geheten de kroon als een gevangenis voor hun burgers. Onderdeel van die gevangenis is niet alleen opsluiting maar ook de systematische kwelling van tegenstanders door marteling. Amnesty International en Human Rights Watch publiceren elk jaar dikke rapporten over deze problematiek. Ook westerse landen die officieel martelen hebben afgezworen maken zich er schuldig aan zoals bleek uit verhoren in Irak en Afghanistan van getuigen die waren gemarteld omdat ze inlichtingen zouden kunnen geven in de jacht op politieke en militaire tegenstanders. In de volgende paragrafen komt het lichaam in de oorlog, de concentratie van de lichamen in het concentratiekamp en de vernietiging van lichamen op basis van een racistisch wereldbeeld ter sprake als een heterotopie waar het lichaam als auto-topie zich aan moet passen of moet sterven. Ik betrek hierbij ook de wereld van het folteren van (politieke) gevangenen.

 

 


A. Het lichaam in de oorlog - als voorbeeld de Eerste Wereldoorlog

 

 

 

“Naar LORETTO

 

für Herman Kasack

 

Einen Tag lang in Stille untergehen!

Einen Tag lang den Kopf in Blumen Kühlen

Und die Hände fallen lassen

Und träumen: diese schwarzsamtnen, singenden Traum:

Einen Tag lang nicht töten.”

 

Edlef Köppen[xxv]

 

 

De plaatsen/ruimtes waar de oorlog plaatsvindt kan je in navolging van Foucault een extreme heterotopie noemen. De ervaring van die oorlog is divers en de betekenis die eraan gegeven idem.[xxvi] Een citaat uit een tv film rond de eerste wereldoorlog, de slag om de Somme juli 1916, spreekt zo over deze oorlog:

”Dit is het weerzinwekkendste aan de oorlog: die lichtzinnigheid. Je bent als een aap die Gods evenbeeld verscheurt.” en “We zijn jouw geesten in dit spel gespeeld door apen, georganiseerd door gekken.”[xxvii]

 

 

Kanonnenvlees

 

 

“We are the Dead. Short days ago

we lived, felt dawn, saw sunset glow,

loved and were loved, and now we lie

in flanders fields.”

John Mccrae[xxviii]

 

 

Het lichaam telt in de oorlog niet mee. Hoewel het lichaam van miljoenen wordt ingezet om oorlogsdoelen te bereiken is het lichaam zelf niks waard.[xxix] Tenminste zolang er genoeg voorraad is aan menselijk vlees en mensen die niet massaal verzet plegen tegen deze dwang om te vechten[xxx]. Ook in de Eerste Wereldoorlog werden soldaten in veewagens naar het front gebracht. Daar werden zij “rücksichtlos”  ingezet om afgeslacht te worden. Verhalen over de blindheid van de leiding om hele legers in het vijandelijk vuur te laten lopen voor een terreinwinst van enkele kilometers maken duidelijk dat mensen, in dit geval soldaten niet als personen met een bepaalde waarde en als onvervangbaar worden beschouwd, maar integendeel als ‘kanonnenvlees’, een term uit deze periode.[xxxi] Door artillerie in stukken geschoten, ijzer tegenover vlees.[xxxii]

Een ander citaat van een overlevende uit deze film zegt: ”In het eerste anderhalf uur vielen er 30.000 doden en gewonden. “het idee van een massale dood moet er blijkbaar ingehamerd worden voordat je het snapt.”[xxxiii] Daarnaast stierven er tallozen na de slag aan hun verwondingen, het hospitaal is het tweede slachtveld. Een feit dat niet altijd belicht wordt in beschrijvingen van die periode.

Het lichaam van de eigen mensen telt in dit denken niet mee, maar ook het lichaam van de tegenstander is een overbodige last. Een soldaat drukt dit helder uit bij het begin van een aanval vanuit de loopgraaf: “Ze hadden niet gezegd, ‘geen gevangenen’, maar dat was wel wat van ons verwacht werd.”[xxxiv] De soldaten ervoeren dat zelf vaak anders. Henri Barbusse, een Frans soldaat schrijft over zijn ervaring in de loopgraaf:

“We onderscheiden delen van lijnen, bestaande uit reeksen van deze menselijke punten die uit de holle lijnen komen en onder de afschuwelijke, stormachtige hemel over de vlakte bewegen. Het is nauwelijks te geloven dat elk van die minuscule stippen een huiverend, kwetsbaar en in de ruimte totaal machteloos wezen van vlees en bloed is, vol ondoorgrondelijke gedachten, oude herinneringen en ontelbaar veel beelden; dit gedwarrel van mensen die even klein zijn als de sterren aan de hemel is verbluffend. Arme medemensen, arme onbekenden, het is jullie beurt om aan te rukken! Een andere keer zal het onze beurt zijn. Morgen zijn wij misschien aan de beurt om te voelen hoe de hemel boven ons hoofd uiteenbarst of de aarde onder onze voeten opensplijt, om bestookt te worden door het wonderlijke leger van projectielen en opgejaagd door orkaanstoten die honderdduizend maal krachtiger zijn dan een gewone orkaan.” [xxxv]

“Het zijn landbouwers en arbeiders die je onder hun uniform herkent. Het zijn ontwortelde burgers. Nu staan ze klaar en wachten ze op het signaal van de dood en het moorden; maar wanneer je hun gezichten tussen de verticale strepen van hun bajonetten aandachtig bekijkt, zie je dat het gewoon mensen zijn. Een ieder weet dat hij zijn hoofd, zijn borst, zijn buik, zijn hele lichaam, helemaal naakt, naar de vooraf op hem gerichte geweren gaat brengen, naar de houwitsergranaten, naar de opeengestapelde en gereedliggende handgranaten, en bovenal naar de ordelijke en bijna onfeilbare mitrailleur- naar alles wat daarachter in vreselijke stilte op hem wacht, voordat hij de andere soldaten tegenkomt die hij zal moeten doden. Ze staan niet zoals bandieten onverschillig tegenover het leven en zijn niet zoals wilden door woede verblind. Ondanks de propaganda waarmee ze worden opgehitst, zijn ze niet opgewonden. Ze staan boven iedere driftimpuls. Ze zijn niet dronken, lichamelijk noch geestelijk. Bij volle bewustzijn, in de kracht van hun leven en kerngezond staan ze daar opeengepakt om zich voor de zoveelste keer in die soort krankzinnigenrol te storten die elke man door de waanzin van het mensdom wordt opgedrongen. Je ziet wat er aan dromen, angst en gedachten aan afscheid achter hun stilzwijgen, hun onbeweeglijkheid schuilgaat, achter het masker van kalmte dat op bovenmenselijke wijze hun gelaat bedekt. Het is niet het type helden zoals men zich die voorstelt, maar hun offer heeft meer waarde dan degenen die hen niet gezien hebben ooit zullen kunnen beseffen.”[xxxvi]

 Heldenmoed, opoffering en meer van die uitspraken gingen al gauw in de oren van de soldaten klinken als gruwel. Omdat zij midden in de vuurlinie lagen en de generaals vaak kilometers achter het front opereerden kreeg je een soms totaal verschillende perspectieven op de oorlogssituatie. Louis Barthas, een eenvoudige tonnenmaker, zoals hijzelf zegt, schrijft:

“Op het rapport las men ons de dagorder voor van de grote slachter van 16 april, generaal Nivelle. De inhoud moest aan de troepen, dat wil zeggen de slachtoffers, de dag vóór de aanval worden meegedeeld. Tussen andere dwaasheden stond 'dat het uur van het offer was geslagen en dat er niet meer aan verloven hoefde te worden gedacht'. Helaas! Al bijna dertig maanden lang had elke dag wel voor iemand het uur van het offer geslagen en wat betreft de verloven: ondanks alle bevelen dachten de poilus van 's morgens tot 's avonds aan niets anders. Al het andere was bijzaak. Het voorlezen van dit patriottische gewauwel wekte geen enkele geestdrift op. Integendeel, het demoraliseerde de soldaten. Zij zagen daarin een gruwelijke dreiging met nieuwe ellende, grote gevaren en een vreselijke dood in het vooruitzicht. En dat voor een zinloos offer, want geen mens geloofde nog in de goede afloop van deze nieuwe slachting.

Onze leiders daarentegen schenen geen ogenblik te twijfelen aan de nederlaag van de Duitsers. De meest minutieuze voorbereidingen bewezen zelfs dat ze op een lange achtervolging van de vijand rekenden. Elke soldaat kreeg voor een paar dagen rantsoenen en veldflessen met vier liter drank, een paar dozijn granaten en enkele honderden patronen zonder dat men zich afvroeg of de soldaat zo'n last of overlast wel kon dragen.”[xxxvii]

 Een begrip dat in Wereldoorlog Een exact uitdrukt hoe de situatie van vier jaar lang stellingen-oorlog werd ervaren is het begrip “Niemandsland”, het gebied tussen de loopgraven van vriend en vijand. Om dit niemandsland te veroveren, een plek die voortdurend veranderde door de aanvallen en de beschietingen, werden miljoenen mensen opgeofferd, werd hun vlees gevoerd aan mitrailleurs en kanonnen. Reeds na een paar weken was aan het begin van de oorlog duidelijk dat menselijk vlees niet bestand is tegen een regen van kogels en granaten. Daarvoor is het te zwak. Toch duurt het vier jaar voordat een einde van de oorlog in zicht komt. Vanuit het standpunt van het menselijk lichaam is dit onbegrijpelijk en grenst het aan waanzin. Deze ellende van de oorlog is niet te beschrijven want het verstand slaat op tilt.[xxxviii]

In het voorjaar van 1914 voordat de oorlog op 18 juli uitbarstte liepen jonge mannen door de straten van Berlijn en Parijs. Ernst Jünger, een Duitse auteur schrijft hier in romantische termen over waarin de dood op het slagveld verheerlijkt wordt als een van de mooiste vormen van sterven:

 “Wir hatten Hörsäle, Schulbänke und Werktische verlassen und waren in den kurzen Ausbildungswochen zu einem großen, begeisterten Körper zusammengeschmolzen. Aufgewachsen in einem Zeitalter der Sicherheit, fühlten wir alle die Sehnsucht nach dem Ungewöhnlichen, nach der großen Gefahr. Da hatte uns der Krieg gepackt wie ein Rausch. In einem Regen von Blumen waren wir hinausgezogen, in einer trunkenen Stimmung van Rosen und Blut. Der Krieg musste es uns ja bringen, das Grosse, Starke, Feierliche. Er schien uns männliche Tat, ein fröhliches Schützengefecht auf blumigen, blutbetaubten Wiesen. “ Kein schöner Tot ist auf der Welt…” Ach nur nicht zu Hause bleiben, nur mitmachen dürfen!”[xxxix]

 Deze verheerlijking van de oorlog als een middel om grootste dingen te beleven, als geboorteplaats voor de “nieuwe mens” zoals veel fascisten later zullen beweren als de oorlog al lang is afgelopen, komt uit de mond van iemand die het zelf heeft meegemaakt. Het boek van Ernst Jünger “Stahlgewitter” beschrijft die periode. De titel is goed gekozen: stormen van staal. Daar is een mens niet tegen bestand. Alleen de verheerlijking van het krijgsgeweld slaat de plank helemaal mis want de werkelijkheid zou veel gruwelijker worden dan de fantasieën van een gymnast die net de schoolbanken heeft verlaten. Toch houdt Jünger dit een heel boek vol en lijkt het alsof de oorlog ook een spannend avontuur is waarin alleen de echte helden overleven als ze maar hard en wreed genoeg zijn om het allemaal te doorstaan.[xl]

Het offensief van de Duitsers liep al snel vast in Frankrijk en Duitsland raakte verstrikt in een tweefronten oorlog door ook Rusland aan te vallen. De slag aan de Somme, de slagen rond Verdun en Ieper en de talloze slagen in het oosten en op andere plekken in Europa en soms daarbuiten spreken nog steeds tot de verbeelding en leveren een stroom aan boeken en films op. De slag bij Verdun werd door de Duitsers een “Abnutzungskrieg” genoemd, namelijk een manier van vechten om de vijand te laten doodbloeden zo omschreef het plan van de Duitse generaal Falkenhagen het. Maar naast de talloze Franse en geallieerde soldaten die er sneuvelen vielen er net zoveel Duitse slachtoffers. "La Voie Sacrée", de heilige weg die richting Verdun voerde, waarop het Franse materieel en de soldaten werden aangevoerd, als een soort levenslijn, een belangrijke ader, wordt sinds die tijd heilig genoemd omdat deze operaties zovele mensenlevens hebben gekost. De dood van de talloze dieren waaronder paarden maken daar nog geen deel van uit. Een getuige die het overleefde vertelt over de verovering en verdediging van de beroemde/beruchte heuvel 304 in de buurt van Verdun:

 “Aan beide kanten werd er als kannibalen gevochten met een wreedheid die misschien wel erger was dan bij de invasie van de barbaren in lang vervlogen tijden. "Vae Victis!" Wee degenen die bij heuvel 304 levend in handen van de vijand vielen; elk gevoel van menselijkheid was verdwenen. Zelf heb ik een luitenant op Duitse hospikken die een gewonde droegen zien schieten. Een soldaat die de moed had kritiek te leveren op de schandelijke daad van de luitenant kreeg als antwoord: 'Ach wat! De Duitsers zouden hetzelfde hebben gedaan.

Op het afgesproken tijdstip barstte van onze kant de aanval los en bij verrassing maakten de Zoeaven zich zonder veel tegenstand van het kleine fort meester. De rode lichtkogels trokken een bloedig spoor in de nacht. Onmiddellijk daarna veranderde heuvel 304 in een vulkaan. Duitse batterijen van zwaar kaliber beschoten onophoudelijk het aanvalsdoel. Maar tegelijkertijd schoten ze ook andere kanten uit. Onze hoek bleef rustig, als een eiland in een woeste zee.

Het bombardement maakte het fort onhoudbaar voor de Zoeaven die zich met zware verliezen moesten terugtrekken. De bataljonscommandant en alle compagniescommandanten van de Zoeaven werden buiten gevecht gesteld. Kapitein Barbier van de 3e compagnie van ons regiment moest de leiding overnemen van wat er nog restte van het bataljon. Kapitein Barbier was een man met het postuur van Hercules. In het dagelijks leven was hij professor in ik-weet-niet-wat. Ondanks zijn hoge opleiding had hij helaas een bekrompen en wonderlijke opvatting over zijn rol als leider. Hij beschouwde soldaten als minderwaardige schepsels die je zonder respect kon behandelen, zoals een herder zijn schapen of een dresseur zijn meute honden. Kapitein Barbier was dan ook niet geliefd bij zijn manschappen die hij ruw bejegende, grof uitschold en voor het minste vergrijp strafte. In het regiment kreeg hij de bijnaam 'de Bruut'. Maar je kon hem bij verschillende gelegenheden geen gebrek aan moed verwijten. Vanuit de eerste rangen wierp hij krachtig en opmerkelijk handig zijn handgranaten.”[xli]

 

Herinnering aan de doden

 

“Het is zo donker dat enkel de woorden licht zijn.”

 Tristan Tzara[xlii]

 

 

Tot op de dag van vandaag zijn deze plaatsen waar hevig werd gevochten een soort oorlogsmonument geworden. Tallozen trekken erheen om de plaatsen te bekijken. Familieleden van oud-strijders, toeristen, allen die geïnteresseerd zijn in deze plaatsen. Zij hebben op de een of andere wijze een aantrekkingskracht. De mijn van Vauquois kan hier model voor staan. Ik heb de loopgraven daar gezien en de enorme gaten die in de bodem zijn geslagen door mijnen. De reisgids: “Velden van weleer. Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog” schrijft het volgende hierover waardoor een beeld ontstaat van de situatie:

 “In dit dorpje gaat de route links (D212) naar Vauquois en de gelijknamige Butte (borden  volgen bij binnenkomen Vauquois links de heuvel op). Boven op de heuvel lag het oude dorp, meteen in 1914 zonder strijd door de Duitsers ingenomen. Het was de Fransen er alles aan gelegen de heuvel te heroveren: vanwege zijn strategische ligging ten opzichte van de spoorlijn St. Menehould-Verdun die in het kader van de omsingeling van Verdun doorlopend door de Duitsers werd bedreigd, maar vooral omdat hier aan de Aire, in tegenstelling tot de dichte ravijnen en bossen van de Haute Chevauchée waar het moreel van de poilus naar de mening van de generaals maar weg kwijnde in de verdediging, de vertrouwde tactiek van de stormaanval weer kon worden beproefd.

Zonder steun van de artillerie, zonder succes en met massale verliezen werden de Fransen dan ook vanaf eind oktober '14 tot en met februari '15 keer op keer vergeefs de Butte de Vauquois opgestuurd. Op 1 maart lukte het de hoofdstraat van het dorp te bereiken, maar verder hielden de Duitsers stand, ingegraven aan de noordkant, de Fransen aan de zuidkant, de loopgraven op een steenworp afstand van elkaar. Het was de stellingen-oorlog in optima forma; geen van beide partijen kon zich ook maar een meter verplaatsen en, gezien het gedeelde bezit van deze tot as geblakerde heuvelrand, was de strategische waarde ervan inmiddels nihil. In de loop der tijd werd door beschietingen en branden het leven langzaam maar zeker onmogelijk en geleidelijk verplaatste de oorlog zich onder de grond, waar beide legers woonden en elkaar met explosieven in diepe mijnschachten bestookten.

 André Pézard, die bijna anderhalf jaar op de Butte de Vauquois doorbracht, beschrijft een abri 15 meter onder de grond. Iedereen die niet een loopgraaf hoefde te bemannen aan de rand van de heuvel, vertoefde er, geplaagd door berichten van het hoofdkwartier dat elk contact met de werkelijkheid had verloren. 'Er is,' zo luidde een typisch stukje nonsens, 'een rijdende veldkeuken verdwenen, nr. 264, type Egrot, met voortrein nr. 53, type Lauroura. Verantwoording af te leggen bij het bureau van de luitenant-kolonel, en wel vóór 14 juni.'

Ondertussen had op 14 mei een reuzenmijn (van de Duitsers) een groot deel van de rand waar Pézard en zijn mannen zaten, eenvoudig weggeblazen, een gat van 32 meter diep achterlatend. Na 1916 werd het er rustiger en gold meer het motto 'leven en laten leven'. Als er weer wat in de lucht zou vliegen, werd de overkant van tevoren gewaarschuwd: 'Hé, psst, heute Nacht, bums! ...' waarna men zijn maatregelen kon nemen.

Onder aan de Butte de Vauquois bewaren de boeren hun hooi in de oude bunkers. Bovenop is er een met gras begroeid maanlandschap dat tegenwoordig als een monument in stand wordt gehouden door de Amis de Vauquois. Met behulp van het Franse leger en nos amis allemands worden de hellingen gerestaureerd, loopgraven hersteld en opgehoogd met echte zandzakken en blockhauser en abri's uitgegraven en hersteld. Met enige regelmaat geven de Franse amis rondleidingen door een deel van het in totaal 15 km lange netwerk van mijnschachten en tunnels, waar het verbijsterende ondergrondse wooncomplex van de Duitsers zich bevond, compleet met kamers, keukens en warmwaterinstallaties.

Destijds waren de officiersverblijven gemeubileerd en lag er parket op de vloer, alles gestolen uit de verlaten dorpen in de buurt. Boven op deze akelig kale heuvel is het eenzaam en stil. Wat hoopjes steen is alles wat nog over is van het oude Vauquois. De top is veranderd in gigantische kommen (in totaal dertien enorme mijnkraters), tientallen meters in doorsnee, met zwarte randen, gevuld met resten prikkeldraad, Spaanse ruiters, oud roest, en brokken steen waar ooit de kerk stond. Het is één van de meest indrukwekkende 'natuurmonumenten' van het westelijk front. 'Glocke von Vauquois,' zongen de Duits soldaten, “Du läutetest so rein”:

"Ludest so viele dereinst zum Beten ein

Glocke von Vauquois, Du läutest nicht mehr

Um dich herum is alles tot und leer."[xliii]

 

Door de concentratie op nieuwe oorlogsmachines en bijbehorende techniek (vliegtuig, tank, gas[xliv], radiotelegrafische verbinding), medische behandelingen, het oplossen van problemen op logistiek gebied enzovoort komt de hele maatschappij in dienst van de oorlogsmachine te staan. Onvoorstelbaar zijn de voorraden die nodig waren om een grote slag voor te bereiden, om soldaten en materieel aan te voeren. Peter Barton gaat in “Passendale” daar uitgebreid op in.[xlv] Met behulp van oude foto’s, kaarten, stafmateriaal, en heel veel brieven en verslagen reconstrueert hij de veldslagen. De Franse soldaat Barthas verwondert zich meerdere malen over het feit dat aan de oorlog maar geen einde komt door munitiegebrek. Barthas schrijft:

“Eén ding staat vast: met elk offensief verrijkten zich de munitiefabrikanten. Hier lag voor verschillende miljoenen francs aan munitie. Anatole France schrijft terecht: 'Men denkt te sterven voor het vaderland maar men sterft voor de industriëlen.'

Het was onbegrijpelijk dat de Duitsers nog nooit één enkel kanonschot op het munitiedepot hadden gelost en dat nog geen enkel vliegtuig ooit een bom had laten vallen die het hele depot in de lucht had laten springen. En toch lag het depot op de route van de Duitse vliegtuigen die dikwijls overvlogen om Châlons-sur-Marne en Mourmelon te bombarderen. Je zou bijna denken dat er in deze vernietigingsoorlog der volkeren een stilzwijgende overeenkomst bestond om de munitie van de tegenpartij te sparen.”[xlvi]

 

Utopie in plaats van realisme

 

Zonder het Roergebied met zijn voorraden aan steenkool om ijzererts te smelten had bijvoorbeeld Duitsland nooit een oorlog kunnen beginnen op deze schaal. In de grote wapenfabrieken konden kanonnen worden ontworpen die een vuurkracht bezaten die nog nooit vertoond was. Tegen de forten rondom Verdun werden deze ingezet nadat ze eerder al de Belgische forten hadden bestookt. De economische voorwaarden om een oorlog te kunnen voeren en voortzetten worden in veel oorlogsdocumentaires verwaarloosd. Eerder wordt aandacht gegeven aan de ideeën van wat ik maar zal noemen ‘oorlog-ophitsers’ zoals Von Bernardi waarover Barbara Tuchman schrijft: “Oorlog, verklaarde hij, is een biologische noodzakelijkheid. Hij vervult een rol bij de uitvoering der natuurwetten, met name bij die van de wet, die de strijd om het bestaan beheerst. Volken, zei hij, moeten vooruitstreven of ten ondergaan. Stilstaan is niet mogelijk…”[xlvii]

Tuchman beschrijft ook het feit dat er bij sommigen wel een bewustzijn bestond ten aanzien van de duur van een langere oorlog omdat die pas afgelopen zou zijn als de grondstoffen en het potentieel aan mensen volledig uitgeput zou zijn.[xlviii] Maar zo schrijft zij: “Maar het is tegen de natuur der mensen - en in het bijzonder tegen die der generale staven - logische conclusies uit eigen voorspellingen te maken. Een vormeloze, niet-begrensde conceptie van een oorlog was geen basis om wetenschappelijke plannen op te bouwen. Dat ging alleen met de orthodoxe, overzichtelijke en eenvoudige oplossing, die de korte oorlog met zijn beslissende veldslag was […] De mensen zijn trouwens - en dat geldt niet alleen voor 1914, maar voor alle tijden - meestal geneigd zich niet voor te bereiden op het allerergste, zelfs indien dat niet tot de onmogelijkheden schijnt te behoren.”[xlix] Tuchman beschrijft ook de wijze waarop bekende grootheden uit die tijd aankeken tegen deze oorlog toen hij nog niet was losgebarsten. Een zeker utopisch werkelijkheidsvreemd verlangen komt hier aan het licht.

 “De mensen aanvaardden de oorlog vanuit verschillende gevoelens en denkbeelden. Onder de oorlogvoerenden waren er, die als socialisten en pacifisten in hun hart de oorlog verwierpen. Anderen, zoals Rupert Brooke, heetten hem welkom. 'Nu Gode dank gebracht, die ons Zijn uur heeft gesteld,' schreef Brooke in zijn gedicht '1914', en hij was zich van geen godslastering bewust. Voor hem was het een tijd om

 

Als zwemmers, die in zuiver water springen,

blijde zich af te wenden van een wereld,

oud, koud en moe geworden...

 

Eer is weergekeerd...

En adeldom woont opnieuw in ons hart,

Wij hebben ons erfdeel mogen aanvaarden.

 

In Duitsland werden soortgelijke ontroeringen gevoeld. Volgens Thomas Mann zou de oorlog 'een zuivering, een bevrijding en een ontzaglijke verwachting' zijn. 'De overwinning van Duitsland zal de overwinning van de ziel over het getal betekenen. De Duitse ziel is gekant tegen het pacifistische ideaal van de beschaving, Want is de vredestoestand geen element van burgerlijke corruptie?' Dit concept, een weerspiegeling van de Duitse militaristische theorie 'Oorlog adelt', lag dicht in de buurt van de verrukkingen van Rupert Brooke en het werd door heel wat respectabele lieden, onder wie Theodore Roosevelt, verdedigd. In 1914 was er, met uitzondering van een paar Balkan-oorlogen, dus in het randgebied, voor meer dan een generatie geen grote oorlog geweest en naar de mening van een enkele waarnemer was de opgeluchte houding in de zomer van 1914 althans gedeeltelijk toe te schrijven aan een 'onbewust gevoelde verveling jegens de vrede.' Terwijl Brooke glorieerde in zuiverheid en adeldom zag Thomas Mann een meer positief doel. De Duitsers zijn, aldus Mann, de meest ontwikkelde, orde- en vredelievende van alle volken en daarom verdienen ze ook de meest machtige te zijn. Zij mogen heersen. Zij mogen een 'Duitse vrede' doen ontstaan uit 'wat volkomen gerechtvaardigd een Duitse oorlog wordt genoemd.'”[l]

“Voor de Fransen was het voldoende, dat hun erfvijand aan de grenzen stond. Maar toch werden ook hier de 'ontzaglijke verwachtingen' gevoeld. Bergson geloofde, dat, hoewel de uiteindelijke overwinning van de Geallieerden 'verschrikkelijke offers zou eisen, het resultaat toch zou zijn, naast 'de verjonging en vergroting van Frankrijk, de zedelijke regeneratie van Europa. E n dan, als eenmaal de werkelijke vrede is bereikt, zullen Frankrijk en de mensheid hun opmars voortzetten naar waarheid en gerechtigheid.'”[li]

Al deze verwachtingen die getekend zijn door optimisme en een drang om te overheersen kleuren het wereldbeeld van de toenmalige actoren. Je zou van iemand als de filosoof Henri Bergson en de schrijver Thomas Mann anders verwachten omdat zij wereldfaam hebben verworven met hun denken en hun werk. Dat is voor mij een bewijs des te meer hoe sterk overtuigingen kunnen zijn als mensen geen echte voorstelling hebben van de gruwelijkheden in de oorlog en de pijn en het verlies dat geleden wordt. Ik vermoed dat ze heel andere geluiden hadden laten horen als ze met vooruitziende blik zich hadden kunnen voorstellen hoe het is om zelf een aantal maanden in een modderige loopgraaf vol ratten en doden te moeten doorbrengen.

In de opmars door België laat het Duitse leger zich ook kennen als een terreurmachine. Vermeende ‘terroristen’, dat waren in Duitse ogen Belgen die vanuit een hinderlaag op soldaten schoten op zogenaamd verondersteld bevel van de Belgische regering, die zelf nog slechts een klein deel van het land in handen had, werden opgepakt en doodgeschoten. In veel steden en dorpen werden talloze onschuldigen op basis van slechts geruchten geëxecuteerd. In kleine Belgische plaatsje Blegny staat een monument dat aan deze tijd herinnert. Op het monument een foto  van de executie van vier personen waaronder twee verre familieleden uit deze eerste maanden van de oorlog.[lii]

De omstandigheden waarin door velen gevochten werd zijn onvoorstelbaar. De natuur hielp een handje mee om de loopgraven in poelen des doods te veranderen. Ongedierte, ratten, luizen, water en modder. Als je de verhalen leest is het onvoorstelbaar dat deze oorlog op deze wijze 4 jaren heeft geduurd. Carl Heller, een Duitse soldaat schrijft uitgebreid over deze omstandigheden:

 “Schoenen of laarzen had bijna niemand meer aan. Ze waren door het water totaal uit elkaar gevallen en in het slijk blijven steken. Door het koude water waren onze ledenmaten verstijfd en verkleumd en telkens moesten we op andere plaatsen kruipen om niet in het slijk om te komen. Verschillende makkers die de kracht niet meer hadden zich buiten de modder te houden, werden vastgezogen. Anderen schreeuwden om hulp en moesten dan met vereende krachten op andere plaatsen worden getrokken om niet weg te zakken, tot ook deze helpers door uitputting daar niet meer toe in Staat waren. Iedereen was wanhopig. Waarom werden we niet afgelost? Waarom gaven we dit vervloekte en verzopen land niet prijs? Onze luitenant trachtte ons te troosten door te zeggen dat we een lange periode van rust zouden krijgen zodra we weer naar 'achteren' zouden gaan. Maar wie zou daar ooit nog komen? Zouden we hier al niet binnen enkele dagen allemaal dood zijn? We meenden het niet te kunnen uithouden, maar hoeveel kan een mens verdragen? Hoeveel kan hij, zonder het te weten doorstaan!

Bij de vijand was het natuurlijk hetzelfde. Ook daar bewogen zich naast de kuilen - in plaats van erin - groteske, vormloze, levende leembonken heen en weer. Geschoten werd er niet meer, zelfs niet meer door de artillerie. Er speelde zich hier een geweldige tragedie af. Onmachtig en tot werkeloosheid gedwongen, lagen de vijanden uitgehongerd en ziek tegenover elkaar, in bedwang gehouden door het water. Men kon elkaar niet meer onderscheiden. Door onze overjassen met daarop een dikke en taaie gele leemlaag, kregen we een tweemaal zo grote afmeting. Gezichten en handen zaten vol slijk en we konden bijna niet meer zien door het water dat in onze ogen liep en deze ontstak. Ook in oren, neus en mond drong het binnen en deed ons soms bijna stikken. Dag en nacht regende het maar door en de waterplassen werden steeds groter en dieper. Alles was verzonken in de weke grond. Geen geweer of handgranaat was meer te gebruiken. Wat zouden we kunnen doen als de vijand plotseling zou aanvallen? Maar dat konden ze immers niet, dat waren toch ook slechts mensen! Integendeel, deze ellende had ons dichter bij elkaar gebracht. Enkelen van ons waren naar hen toe gekropen om iets te eten te krijgen, maar waren slechts met een kleinigheid teruggekomen. Ze hadden zelf ook niets. 

Eigenaardig, hier, waar allen in hetzelfde gevaar en in diezelfde ellende verkeerden, waar de dood niet direct van de vijand kwam, werden de vijandelijkheden gestaakt, ja, hielpen we elkaar als dat kon, om dan straks, als de watersnood voorbij was, weer doodsvijanden te zijn! Na twee dagen kregen we weer een stukje brood en iets van conservenvlees dat met grote moeite door de corveemannen was aangevoerd. Ook van hen kwamen er velen om tijdens hun tocht naar ons toe.

Hoelang, hoe eindeloos lang waren de dagen en nachten in deze verschrikkelijke omgeving. We dachten ten slotte over niets meer na. Half bewusteloos en suf lagen we daar en wachtten op onze aflossing die echter nog steeds niet kwam opdagen. Om toch iets naar binnen te krijgen, kookten we soms met de grootste moeite op een doosje harde spiritus een beetje troebel leemwater. Maar dit koken duurde erg lang en telkens viel het bakje water om of zakte het kooktoestelletje weg. Iemand plaatste zijn toestelletje op het opgezwollen gezicht van een gesneuvelde soldaat, maar het hoofd zakte weg en het water viel er af. Vloekend drukte hij het hoofd met beide handen vast in de modder en zette er toen de spiritus en het water weer op.

Eindelijk, eindelijk kwam de aflossing en konden we teruggaan, tenminste zij die nog konden lopen. De anderen moesten achterblijven en gingen jammerlijk te gronde. Nu moesten de reserves in het water gaan liggen om tegen de verdrinkingsdood te vechten. Meer dan de helft was onderweg al in het moeras blijven steken, zo werd ons verteld. Wat hadden deze arme mensen toch gedaan dat ze zulke vreselijke ontberingen, zulk een ontzettende nood moesten lijden? Zouden ze ginds in de rustige, veilige steden, ook maar enig idee hebben van de grote ellende die we hier aan het front moesten meemaken? Nee, dat was onmogelijk. Dat kon je ook niet overbrengen, de mensen zouden het niet begrijpen en nog minder geloven. Ze lazen daar de kranten en bekeken de foto's in de geïllustreerde bladen en vormden zich daaruit een beeld van de oorlog. Oh, wanneer zou toch eens de vrede komen? We hadden de hoop op vrede eigenlijk al opgegeven. We konden ons er geen voorstelling meer van maken hoe het zou zijn om geen soldaat meer te zijn, maar vrije mensen in huiselijke kring, en om zonder gevaar te kunnen leven.”[liii]

Gruwelijk zijn de ervaringen als een loopgraaf wordt veroverd die eerder verloren ging of die aan de vijand toebehoorde. Carl Heller beschrijft dit terugkijkend op die periode:

“Ik werd met een groep mannen meegesleurd en vond een ingestorte ingang van een onderstand die door een vleugelmijn weer was opengeslagen. Door de nauwe spleet vluchtte ik naar binnen, gevolgd door anderen. In de donkere ruimte viel ik over lichamen heen, lijken, die er God weet al hoe lang lagen en al tot ontbinding waren overgegaan. Ik kroop naar het einde en bleef daar liggen. Steeds meer mensen volgden en ten slotte lagen we man aan man in dat afgrijselijke hol, in dit walgelijke en stinkende massagraf, om ons te beveiligen tegen het onheil dat we zagen aankomen en waartegen niemand meer de kracht en de wil had zich te verdedigen. Dicht opeengepakt lagen al die opgejaagde en angstige mensen daar, die niet meer konden denken, maar door het instinct geleid voor het gevaar waren weggekropen in deze akelige dodenspelonk. Ik voelde de onstuimig bonkende hartslag van een makker die bovenop me lag. Er werd geen woord gesproken. Iedereen lag bewegingloos en luisterde sidderend naar weer een nieuwe beschieting. We hoorden de granaten van onze eigen batterijen  weer naar de Engelse linies suizen, om die wederom stormrijp te maken. We hoorden ook het vreselijke gevecht dat op enkele meters van ons vandaan plaatsvond. Daar ging het man tegen man. Elk moment kon de vijand ons hier ontdekken en ons met een enkele handgranaat doden of levend begraven. Bevend en sidderend kropen we zo dicht mogelijk tegen elkaar, als om bescherming bij elkaar te zoeken. Ik had mijn hand op het hoofd van een dode liggen en was niet in staat ze weg te trekken. Als door een magneet vastgehouden, lag ze daar op zijn haar, dat koud en nat aanvoelde. Hoelang we daar hebben gelegen, weet ik niet meer, we waren in een soort halfslaap geraakt, in een versufte half bewusteloze toestand, veroorzaakt door de benauwde en bedwelmende lijkenstank. Op een gegeven moment werden we geroepen en werktuigelijk, onzeker en aarzelend kropen we een voor een naar buiten, waar we door een officier werden afgesnauwd. We kregen bevel ons gereed te houden, Want er zou een nieuwe aanval worden uitgevoerd. De Engelse stelling werd inmiddels weer kapot- en stormrijp getrommeld. Ik liep enkele  meters en ging op een hoop zand zitten. Als we weer zouden aanvallen, zou onze bataljonsstaf, als die er dan tenminste nog was, van daaruit voorgaan.

Ik zag een allerverschrikkelijkst toneel in dat kleine stukje loopgraaf. De bodem was bedekt met lijken en daar liep iedereen overheen alsof her een vloerkleed was. Wat verderop waren mannen bezig ze eruit te gooien. Ze waren niet meer van nut, hinderden de anderen en daarom werden ze een voor een over de rand geworpen. Ze zagen er vreselijk uit, halfbedolven onder de overal ingestorte gang, verscheurd en bloedend, met wilde en verwrongen gelaatstrekken, getuigden deze mensen van het ontzettende drama dat zich hier had afgespeeld.

Een Engelsman leunde half tegen enige schanskorven en grijnsde me met een verschrikkelijk gelaat aan. Zijn hoofd was gekloofd. Een diepe spleet scheidde zijn voorhoofd van het achterhoofd. Terwijl het laatste een bloederige, vormloze en weke massa was, was het gezicht niet gekwetst. Alleen de ogen waren eruit verdwenen. Zijn geweer lag naast hem. In zijn rechterhand hield hij nog een bloederige houweel vast, een der eigenaardige hakwerktuigen die de Engelsen als schanstuig gebruikten. Een Rode-Kruissoldaat kwam naast me zitten. Als in een droom mompelde hij steeds maar: 'Oh God!, oh God!' en zich plotseling tot mij richtend vroeg hij of ik wat te drinken had. Ik gaf hem mijn fles, die hij tot de laatste teug leegdronk en toen weggooide. Het was alsof deze dronk hem weer bij zinnen bracht. Hij vroeg wanneer het er weer op los zou gaan. 'Om drie uur,' antwoordde ik. 'Oh God, dan gaat het weer net zo! Denk jij dan dat het zal lukken om die Engelse onderstanden stuk te trommelen? Daar zitten ze met hun maaimachines zo veilig als het maar kan en als onze artillerie het vuur verder naar voren legt, dan komen ze te voorschijn om ons te ontvangen. Die daar achter, kunnen makkelijk commanderen, laten ze zelf eens naar voren komen, dan zal hun het “volhouden” wel vergaan. “Uithouden en volhouden” dat is het enige wat ze nog kunnen zeggen. En wij hebben onze mond te houden. Laten ze nu toch eens andere troepen naar voren sturen! Wij hebben toch gedaan wat we konden! Urenlang heb ik gewonden door het vuur gedragen en nu ben ik totaal op. Telkens als ik een gewonde achter had afgeleverd, werd ik meteen weer teruggestuurd. Raakte ik maar eens gewond! Maar je zult zien, als dat gebeurt, is deze verwonding zo zwaar dat ik er kapot aan ga!' Zwijgend keek hij voor zich uit.”[liv]

 

 Het effect van de oorlog

 

Frederic Manning, zelf (Engels) soldaat en auteur van het boek “Geslacht” beschrijft en analyseert het effect van de oorlog op de soldaten:

“Er werd wat gevloekt, er vielen zelfs dreigementen en tegendreigementen, maar er ontstond niet echt ruzie. Het algemene effect was er een van recalcitrante berusting in de beschikkingen van een Ondoorgrondelijke voorzienigheid.

De laatste paar dagen was hun hele psychologische gesteldheid veranderd. Ze werden niet meer in de rug gesteund door de morele impuls die hen in actie liet komen, die hen voort droeg op een golf van morele opwinding die alle omstandigheden van hun leven veranderde, zodat deze uitsluitend nog in termen van een heldhaftige tragedie, van een of ander bovenmenselijk of zelfs goddelijk conflict met de machten van het kwaad konden worden uitgedrukt; die hele storm van opwinding was uitgewoed, en ze waren nu uitsluitend nog wrakstukken in een vernielde en versplinterde wereld. Rauwe en boze zenuwen scherpten hun opvliegendheid  aan of sloten hen op in een gemelijke en boosaardige stemming, waaruit ze moeilijk los te weken waren.

Bourne merkte dikwijls dat hij zijn metgezellen als het ware van een afstand bekeek, en soms scheen het hem dan toe dat ze over maar heel weinig redelijkheid of verantwoordelijkheidsgevoel beschikten, afgezien van datgene wat hun door de omstandigheden werd afgedwongen. Hij deed hier niet hooghartig over; hij vroeg zich alleen maar af in hoeverre datgene wat hijzelf voelde overeenkwam met of equivalent was met wat zij voelden. Het is een beetje merkwaardig te bedenken dat ieder mens voor zichzelf weliswaar een mysterie is, maar voor anderen een open boek. De oorzaak hiervan is misschien dat hij zichzelf ziet in de verwarring en kwellingen van de mentale processen waar optreden uit voortvloeit en dat zij in hem uitsluitend de simpele en ondeelbare handeling zelf zien. Terwijl hij zich voorstelde dat de andere mannen waarschijnlijk iets minder tot nadenken geneigd en iets minder redelijk waren dan hijzelf, benijdde hij hen eerlijk gezegd om de grillige en gewelddadige instincten die hen leken te leiden of in ieder geval met zoveel succes door dit riskante avontuur leken te dragen. Dit was in zijn geval ietwat naïef gedacht.

Ze hadden hem aanvaard, en hij was op tamelijk bevredigende wijze in hun rijen opgegaan. Maar er was een vraag, die iedere man een ander stelde als hij met hem kennismaakte: wat deed je in het burgerleven? Het was een vraag vol betekenis, omdat het niet alleen een impliciete erkenning was van de eindeloze variatie in types die op grond van de militaire discipline een schijnbare uniformiteit hadden gekregen: de vraag impliceerde ook dat het burgerbestaan voorlopig achter de horizon was verdwenen, tenminste: voor zover het hun aanging. Het bestond alleen nog in een wankele en zeer verzwakte vorm ergens in de achterhoede van de vechtende legers, maar gezien de omstandigheden was het niet de moeite waard er ook maar één gedachte aan vuil te maken. De mannen waren teruggevallen in een primitievere fase van hun ontwikkeling en waren nachtelijke roofdieren geworden die in troepen op elkaar joegen. Dit was de uniformiteit, geheel anders dan het effect van de militaire discipline die hun eigen natuur hun had opgelegd. Er doet zich in een oorlog een buitengewone triomf van de waarheid voor, waardoor de mens wordt beroofd van iedere conventionele dekking die hij bezit en waardoor hij uiteindelijk tegenover een feit staat dat even naakt en onvermurwbaar is als hijzelf. Maar als een bataljon zo uitgedund is dat het als ' gevechtseenheid verwaarloosbaar wordt en als het uit de eerste linie wordt teruggetrokken om te worden aangevuld, steken de individuele kenmerken van de mannen in het algemeen weer de kop op. De druk van de tegenkracht valt weg en de teugels van de discipline worden noodzakelijkerwijs gevierd tot de eenheid is gereorganiseerd.[lv]

Frederic Manning heeft ook een verklaring voor het gedrag van mensen in deze oorlog: “Hun houding getuigde, in al haar eenvoud, van gezond verstand. In een oorlog gaat niets schuil wat zich niet ook in de menselijke aard bevindt. De gewelddadigheid en hartstochten van mensen worden in een oorlog, in samengebalde vorm, echter een onpersoonlijke en onberekenbare kracht, een blinde en irrationele beweging van de collectieve wil die men niet kan beheersen, die men niet kan begrijpen en die men alleen kan verdragen zoals deze boeren het in hun verbittering en berusting verdroegen. C'est La guerre!”[lvi]

“Het vreemde was dat ze minder kankerden naarmate de ontberingen die ze moesten verduren groter werden, Want vocht en koude brengen allerlei andere ellende met zich mee. Ze werden veel stiller, trokken zich meer in zichzelf terug en toch denderden de estaminets van bulderende stormen van gezang. Het kan een puur subjectieve indruk zijn geweest, maar het leek dat de  mannen, zodra ze in de frontlinie lagen, een groot deel van hun individualiteit verloren. Hun karakters, zelfs hun gezichten, schenen eenvormig te worden. Ze werkten beter omdat het werk iets van de spanning scheen weg te nemen: de spanning van het wachten. Misschien kwam het doordat ze zich meer in zichzelf terugtrokken, doordat ze iets minder zelfvertrouwen hadden als het erom ging hun gevoelens te tonen. Hoewel de druk van de omstandigheden de individualiteit scheen weg te vagen, waardoor er weinig, zo niet geen enkel, onderscheid overbleef tussen de ene man en de andere, werd iedere man zich bewust van zijn eigen persoonlijkheid als iets heel hards, dat zich scherp aftekende tegen de achtergrond die werd gevormd door de andere mannen, voor wie uitsluitend nog de algemene term «de anderen» werd gemikt. Het mysterie van zijn eigen wezen groeide geweldig voor hem, en hij moest die dubieuze duisternis alleen verkennen: hier vaste grond onder de voeten vinden, daar een steun om zich aan vast te houden, het ene steunpunt na het andere vastgrijpen  en het loslaten als het verkruimelend meegaf de plotselinge dreiging van de totale instorting als het weggleed in een ongrijpbaar verleden, waardoor men een nieuwe krachtsinspanning moest leveren om een volgend hachelijk respijt in de wacht te slepen. Als je niet zeker kon zijn van jezelf kon je nergens zeker van zijn. Het probleem waarmee ze allen in gelijke mate werden geconfronteerd, hoewel  sommigen niet in staat of niet bereid waren het duidelijk te omschrijven, ging niet zozeer om de dood als wel om de bevestiging van de eigen wil tegenover de dood, en zodra de aard van het probleem duidelijk was gedefinieerd beseften ze dat de oplossing ervan een continu proces was en nooit een eindoplossing zou zijn. De dood stelde een grens aan het voortduren van een aspect van het probleem en vrede en grens aan dat van een ander, maar geen van beide raakten ze aan de aard van het probleem zelf.”[lvii]

Deze waarneming van Frederic Manning dat de individualiteit van de soldaten tijdens de oorlogshandelingen vervlakt, is een boeiend gegeven. Misschien is het mede ook het resultaat van training en drillen om de soldaten als een machine te laten reageren, naast de voortdurende afstomping door de ondergane beschietingen. Het samen over de rand van de loopgraaf klimmen, via het niemandsland de kogelregen van de vijand tegemoet gaan bij een aanval, werd vooraf geoefend. Het roept ook de in de romans veel emotie op want de dood wacht en het kan nou jouw beurt zijn. Rijen aanstormende soldaten, voorafgegaan door een vuurwals op de stellingen van de vijand. Peter Barton beschrijft aan de hand van kaarten het verloop van deze vuurwals die in korte tijdspannen steeds wat verder opschoof. De infanterie moest volgen. In theorie klonk dit aardig maar in praktijk ging er veel mis, niet in het minst door slechte weersomstandigheden en verkeerde of geen terugkoppeling naar de schutters.

De soldaten waren zo onderdeel van een krijgsmachine waarin het lichaam eigenlijk al niet meer paste, net zo min als de paarden die de zware vuurmonden door de modder moesten trekken.[lviii] De uitvinding van de tank, de eerste rups-voertuigen, toen nog primitief en langzaam, brengt een nieuw denken op gang.

In feite is een tank een rijdend kanon. Om dat kanon zo lang mogelijk te kunnen bedienen moet de bemanning beschermd worden. Dat gebeurt door een laag van metaal. In feite is een tank een stalen lichaam dat als een soort extra huid om de menselijke lichamen heen is gedrapeerd. De tank maakt het doorbreken van de stellingen-oorlog mogelijk. Maar pas in de Tweede Wereldoorlog zou de waarde ervan echt gaan blijken. Naast de tank wordt het belang van het vliegtuig als oorlogsmachine ontdekt. Ze worden gebruikt voor luchtgevechten, kleine bombardementen en vooral ook verkenningen van het terrein. Piloten die in de lucht veel vijanden afschoten kregen een soort van heldenstatus. Dit in tegenstelling tot de infanterist die in de modder en tussen de ratten moest zien te overleven. Ook de luchtmacht zal in de Tweede Wereldoorlog pas echt effectief blijken te zijn. In de Eerste Wereldoorlog werd er alvast een begin mee gemaakt.

Het menselijk lichaam krijgt in deze Eerste Wereldoorlog door tank en vliegtuig de mogelijkheid zich in de ruimte op een nieuwe manier te manifesteren, iets wat vijftig jaar daarvoor niemand zich had kunnen voorstellen. Op sociaal terrein zet de oorlog de maatschappelijke werkelijkheid op zijn kop. Vrouwen vervullen nu thuis, op de boerderij en in de fabriek de werkzaamheden die eerst aan mannen waren voorbehouden. De oorlog schept letterlijk een nieuwe maatschappij met nieuwe mensen maar de prijs is extreem.[lix] Datgene wat voor velen in de periode van de oorlog tot nieuwe leefwereld werd, zowel aan het front als in de burgermaatschappij, is heel moeilijk te integreren in de tijd die aanbreekt na de oorlog. Stemmen uit de Duitse literatuur die over deze tussenperiode tussen de wereldoorlogen in hun boeken berichten maken dit duidelijk. Teruggekeerde soldaten vechten met trauma’s, met invaliditeit, velen met armoede en honger omdat de schatkisten leeg zijn en er geen werk is. Zelfbenoemde profeten staan op.[lx] Er onstaat een amalgaam aan religieuze stromingen. Uitspattingen en decadentie zijn aan de orde van de dag bij groepen rijke burgers die van alle illusies ontdaan zijn omtrent toekomst en menselijkheid. De Weimar-republiek is een maatschappij van uitersten. Het effect van de Eerste Wereldoorlog is op het denken van mensen in die dagen een niet te onderschatten factor voor de richting van de nieuwe verlangens die opkomen in Duitsland: de terugkeer naar een groot Duits rijk. Dat vooral klinkt door in de formulering van het wereldbeeld van de nazi’s.[lxi] Je kunt zelfs spreken van een verlies van het gevoel voor humaniteit bij de nazi’s en hun sympathisanten. Daaronder versta ik het idee dat ieder mens waardevol en kostbaar is. Het ontbreken van dit gevoel wordt zichtbaar in het zonder voorbehoud nastreven van eigen doelen (één groot en hersteld Duitsland), waarbij alles is geoorloofd om deze doelen te behalen. Het gevolg is een vorm van  instrumentalisering van de macht wat zichtbaar wordt in de politieke dictatuur van de nazi’s en daarvoor al het verlies van het geloof in democratische structuren.[lxii]

Het begrip humaniteit, in dit essay vaker gebruikt, staat voor ‘menselijkheid’, ‘menswaardigheid’, het tot zijn recht komen van elk mens ongeacht ras, kleur, afkomst, status, volk, land, geslacht, seksualiteit en andere kenmerken om mensen van elkaar te onderscheiden. Het gaat mij hierbij in eerste instantie niet om een onderscheiding van het dierlijke. Dit is tot op zekere hoogte een vage omschrijving die ook gekleurd is door de tijd waarin ze is ontstaan. Oudemans  zegt daarom over het gebruik van het begrip humaniteit het volgende: “De verdwijning van de wereld waarin het menselijk-redelijke de top vormde van een kosmologische hiërarchie heeft haar weerslag op de manier van schrijven in de filosofie. Meer dan een eeuw na Nietzsche zegt Sloterdijk het expliciet: tot op heden is de filosofie georganiseerd volgens het humane en gymnasiale model van een vriendschappelijke briefwisseling - negentiende-eeuws burgerdom. De mogelijkheid hiervan is weggevallen in de massatelecultuur. Die is postliterair, postepistolografisch en posthumanistisch.”[lxiii]

De omschrijving van het begrip Humaniteit is dus een begrip in ontwikkeling: het zal daarom telkens opnieuw moeten blijken of een situatie als humaan ervaren wordt door degenen die het betreft. Het blijft een onheldere (en misschien wel achterhaalde) definitie maar vanuit de negatieve omschrijving krijgt het begrip meer inhoud. Die negatieve omstandigheden komen in dit essay uitvoerig aan het licht.

 

 

“The Return

 

See, they return; ah, see the tentative

movements, and the slow feet,

the trouble in the pace and the uncertain

wavering!

 

See, they return, one, and by one,

with fear, as half-awakened;

as if the snow should hesitate

and murmur in the wind,

and half turn back;

these were the “Wing’d-with Awe,”

inviolable.

 

Gods of the wingèd shoe!

With them the silver hounds,

sniffing the trace of air!

 

Haie! Haie!

These were the swift to harry;

these the keen-scented;

these were the souls of blood.

 

Slow on the leash,

pallid the leash-men!”

Ezra Pound[lxiv]

 

 

 


 

B. Lichamen geconcentreerd ter vernietiging, het concentratiekamp - de Tweede Wereldoorlog

 

 

“Auschwitz

 

Ginds beneden, In Auschwitz, ver van de Weichsel,

mijn lief, langs de noordelijke vlakte,

in een veld van dood: koud, somber,

de regen op het roest van de palen

en de ijzerkluwens van de afsluitingen:

en geen boom of vogels in de grijze lucht

of boven uit onze gedachten, maar ledigheid

en pijn die de herinnering achterlaat

voor een stilte ontdaan van woede of ironie.

 

Jij wil geen klaagliederen of idylles: slechts

verklaringen voor ons lot, hier,

jij, teder bij de twisten van het verstand,

onzeker bij een heldere

aanwezigheid van het leven. En het leven is hier,

en elk ‘neen’ dat een zekerheid lijkt:

hier zullen we de engel het monster horen wenen

onze toekomstige uren

het hiernamaals horen slaan, dat zich hier bevindt, eeuwig

in beweging, niet in een beeld

van dromen, van mogelijk mededogen.

En hier de metamorfosen, hier de mythen.

Zonder naam van symbolen of van een god,

zijn het slechts feiten, plaatsen op aarde,

zijn ze Auschwitz, mijn lief. Hoe snel

veranderde het dierbare lichaam van Alpeüs en Arethusa

in schimmenrook!

 

Uit deze hel, geopend door een wit

opschrift: ‘Arbeid maakt vrij’

steeg voortdurend de rook op

van duizenden vrouwen, ‘s ochtends

uit de hokken gedreven tegen de muur

van de schietstand of verstikt terwijl

ze naar het water om erbarmen schreeuwden

met hun skeletmond onder de douches van gas.

 

Jij zal ze vinden, soldaat, in jouw

verhaal in de vorm van rivieren, dieren,

of ben je ook as van Auschwitz,

gedenkpenning van stilte?

Resten nog lange vlechten opgesloten in glazen

urnen nog met amuletten samengebonden

en oneindige schaduwen van kleine schoentjes

en sjaaltjes van joden: relikwieën

van een tijd van wijsheid, van inzicht

van de mens die de wapens tot maatstaf neemt

het zijn de mythes, onze metamorfoses.

 

Op de uitgestrekte vlakten waar liefde en gehuil

wegrotten en erbarmen, onder de regen,

ginds beneden, een neen sloeg binnenin ons,

een neen tegen de dood, gestorven in Auschwitz,

om door dat gat van as niet

de dood zelf te herhalen.”

Salvatore Quasimodo[lxv]

 

 

De Tweede Wereldoorlog met de systematische vernietiging van mensen die er in de ogen van de toenmalige machthebbers en politici niet toe deden is goed gedocumenteerd. Deskundigen hebben hier veel over gepubliceerd. Ook op internet is heel veel te vinden. Vandaar dat ik me beperk tot een exemplarische en summiere beschrijving van de gevangenis als wereld vanuit het perspectief van Nazi-Duitsland. 

  

Vijanden worden gekweekt

 

Bevolkingsgroepen die in Nazi-Duitsland als vijand werden afgeschilderd en die nog niet waren opgepakt, waren in feite vogelvrij. Hun restte niets anders dan vluchten en onderduiken. De bezette gebieden na de veroveringen in Europa en Afrika was voor de tegenstanders van het Nazi-regime een grote gevangenis. Heel veroverd Europa werd bedekt met een netwerk van getto’s, kampen en gevangenissen. Gustavo Corni beschrijft in de “De getto’s van Hitler. Stemmen uit een belegerde samenleving 1939-1944”  hoe het leven in een getto in zijn werk ging.[lxvi] Nu, meer dan 70 jaar later, het begin van deze periode, lijkt het onvoorstelbaar, dat de leefwereld waarin hele generaties zijn opgegroeid langzaam veranderd werd in een gevangenis, een plek waar maar beperkte rechten golden voor de bewoners die er gevangen zaten.[lxvii]

In het systematisch vernietigen van de tegenstanders zat een systeem.[lxviii] Ook het “eigen” volk moest hiervoor rijp worden gemaakt via propaganda, terreur en andere methodes. Propaganda is de taal van de onderdrukker. Deze werkt richting slachtoffer maar vooral ook richting eigen bevolking. De teksten en redes van Joseph Goebbels zijn hiervoor een goed bewijs. In zijn dagboeken noteert hij met grote tevredenheid het effect van zijn optredens en zijn dagbladartikelen.[lxix] 

Deze nazipropaganda sluit aan op oude denkbeelden en vooroordelen, soms ook religieus gemotiveerd. Al het vreemde, het andere, het niet bekende (d.w.z. wat in hun ogen van de nazi’s niet ‘Duits’ was) was bij voorbaat verdacht.[lxx] Hiermee heb ik het heel oppervlakkig geformuleerd. Een heel scala van ideeën en opvattingen over volk, vaderland en leiderschap liggen aan de basis. De nazipropaganda schuwde niet iedereen met naam en toenaam te noemen en verdacht te maken die in hun ogen tegen het nationaal-socialisme en hun vertegenwoordigers stelling nam, inclusief de kerkelijke overheid. Viktor Klemperer laat in zijn dagboeken, geschreven in deze periode, zien hoe dat door de bevolking en vooral door hemzelf als joods burger ervaren werd.[lxxi] Guido Eekhaut citeert hem:

“Maar het was via de nazistische retoriek, en veel meer nog via het gebruik van specifieke fascistische geïnspireerde woorden, dat het nazisme bij de massa levendig bleef, zelfs nog na 1945, zoals de joodse filoloog Viktor Klemperer heeft aangetoond. ‘Het nazisme’ schreef hij, ‘stroomde in het vlees en bloed van de massa via de afzonderlijke woorden, de zinswendingen, de zinsvormen; het drong zich op door miljoenen herhalingen, die automatisch, onbewust, werden overgenomen.’ Het is de taal die de mens stuurt, die het gevoel en het psychische wezen stuurt. ‘En als nu de beschaafde taal uit giftige elementen is gevormd of draagster van gifstoffen is geworden? Woorden kunnen nietige stukjes arsenicum zijn: ze worden ongemerkt ingeslikt en lijken geen uitwerking te hebben, maar na enige tijd is de gifwerking er toch.’ Woorden vergiftigen het lichaam. Ze vergiftigen de visie op het lichaam. Vervolgt Klemperer: ‘Als iemand maar lang genoeg fanatiek zegt in plaats van heldhaftig en deugdzaam, gelooft hij tenslotte echt dat een fanaticus een deugdzame held is en dat je zonder fanatisme geen held kunt zijn.’”[lxxii]

Een ander voorbeeld van een waarneming van Klemperer, geschreven op het einde van de oorlog, als de dreigende ondergang de nazi’s nog fanatieker maakt: “Primo loco mindestens 6x “Fanatismus” (“Meine Parteigenossen! Diesen Fanatismus habt ihr von mir gelernt ...”) Ausrotten, Tarnung, Garant, verschworene Gemeinschaft, Nicht “Vernichtung der arischen Menschheit”, sondern “Ausrottung des Judentums in Europa” sei das Kriegsende. – Das “internationale Judentum”... “die Erkenntnis von dem fluchbelandenen verbrecherischen Wirken des Judentums”… der “teuflische Plan der jüdische Weltverbrecher”!”[lxxiii]

Het was wezenlijk voor het effect van de propaganda dat ze grote schaal moest worden bedreven.[lxxiv] De financiën daarvoor en een apparaat ter uitvoering ervan (via radio, film, pers, krant), meestal vergezeld van terreuracties door de SA, vooral in de eerste jaren na de machtsovername in 1933,  waren noodzakelijk om de gestelde doelen te bereiken. Duitsland werd zo rijp gemaakt voor de idealen van de nazi’s. Michael Burleigh spreekt zelfs over heilige doelen.[lxxv] Grote delen van de bevolking gingen mee in de ideeën van de nazi’s omdat hen een nieuwe toekomst werd voorspeld.[lxxvi] Dat de wereld voor velen ook een gevangenis werd, was niet inhoud van de communicatie. Tegengeluiden en persvrijheid werden na de machtsovername in 1933 in Nazi-Duitsland steeds minder en tenslotte niet meer getolereerd.

Na deze machtsovername werden de joden object van massaal geweld. Zij waren in de optiek van de Nazi’s vanaf het begin object van discriminatie en vervolging. Hoe het verder met hen afliep is in veel studies diepgaand onderzocht: Saul Friedländer schrijft hier indringend over in “Das Dritte Reich und die Juden”[lxxvii] evenals Raul Hilberg in “Die Vernichtung der europäischen Juden”.[lxxviii]

Een voorbeeld van terreur ten aanzien van de joden was de zogenaamde Kristalnacht. Deze Kristalnacht was een nacht waarin een aanslag op joodse synagogen en winkels werd uitgevoerd door SA en nazi sympathisanten. Ze werd zorgvuldig voorbereid door de Nazi’s. Talloze synagogen werden vernield en er stierven talloze joden door mishandeling.[lxxix] Het resultaat wordt door Martin Borman, nazikopstuk, en later “Reichsleiter” onder Hitler, vastgelegd in een verslag.[lxxx]

Een ander voorbeeld van terreur is de toepassing van de wetgeving. De Duitse wetgeving kent een enorme hoeveelheid wetten om de achterstelling en discriminatie van de Joden als bevolkingsgroep te bevorderen. Hoe cynisch deze wetten werden toegepast blijkt uit het feit dat de joden (ook al waren ze het voornaamste slachtoffer) aansprakelijk gesteld werden voor alle schade tijdens de Kristalnacht.[lxxxi]

Tegenstanders het naziregime en vermeende vijanden (op racistische grondslag) kwamen in kampen terecht, ze werden geconcentreerd (een eufemisme voor gevangenschap) om hen op die wijze onschadelijk te maken. Meteen na de verovering van Polen door de Duitsers in 1939[lxxxii] begint ook meteen de definitieve vervolging en verdrijving van de joden uit Duitsland en de bezette gebieden.

De nazi’s leggen in hun propaganda een direct verband tussen de Joden en epidemieën - joden worden op een lijn gesteld met ongedierte dat vernietigd moet worden.[lxxxiii] In oktober 1939 noteert Hans Frank in zijn dagboek, hij is dan net een paar maanden de hoogste baas in Polen, dat Heinrich Himmler, de hoogste baas van de SS wenst, dat er tot februari 1940 een miljoen joden naar Polen gebracht moeten worden (versleept uit Duitsland) en dat families met (in de ogen van de nazi’s) Germaans bloed omgekeerd naar het Duitse Rijk moeten worden gebracht. Het betreft hier rond de vier miljoen mensen, die zo losgemaakt moeten worden van hun (Poolse) wortels. Ze moeten worden opgenomen in het Duitse volk. Alleen, zo constateert Frank, de middelen hiervoor ontbreken. Alleen al logistiek is dit plan onmogelijk.[lxxxiv]

Hieruit blijkt dat de nazi’s hun plannen op grote schaal ontwikkelen: mensen worden als getallen behandeld, er wordt in kwantiteiten gedacht. De menselijke maat blijft buiten alle beschouwingen. Het dagboek van Hans Frank legt een op een genadeloze wijze dit denken van de nazi’s bloot. Peter Longerich laat hetzelfde zien in zijn biografie over Heinrich Himmler en Joseph Goebbels en hij heeft ook de receptie van dit denken onderzocht bij de Duitse bevolking.[lxxxv]

  

Concentratie alvorens te vernietigen

 

“Aber es gibt eine so unsägliche Einsamkeit,

das die Wörter Selbstmord begehen.”

Alejandra Pizarnik[lxxxvi]

 

 

De term concentratiekamp heeft een oudere geschiedenis dan het gebruik ervan in de periode tijdens de Tweede Wereldoorlog. Spanjaarden noemden de kampen waarin gevangenen werden opgesloten tijdens de  Cubaanse opstand 1868-1878 concentratiekamp. Amerikanen maakten er gebruik van tijdens de Filipijns-Amerikaanse oorlog 1898-1901 en de Britten tijdens de Tweede Boerenoorlog van 1899-1902.[lxxxvii] Het begrip concentratiekamp is niet hetzelfde als het begrip vernietigingskamp. De Duitsers gebruikten tijdens de Tweede Wereldoorlog diverse begrippen om hun kampen te benoemen: werkkamp, doorgangskamp, concentratiekamp en vernietigingskamp[lxxxviii]. De laatste term is van latere datum toen de vervolging van de Joden op gang kwam in Europa en de moordcommando’s niet in staat waren iedereen te vermoorden. De SS bedacht toen een nieuwe massale manier van doden via de gaskamer. Bekend is in dit verband de toespraak van Heinrich Himmler voor zijn SS-officieren in 1943 in Posen over het moorden - een taak die velen boven het hoofd dreigde te groeien: ‘dat zij (de SSers) allen weten wat het zeggen wil dat er honderden, duizenden lijken bij elkaar liggen’.[lxxxix]

Het concentratiekamp werd als pressiemiddel en als strafmaatregel meteen na de machtsovername in 1933 toegepast.[xc] Het begrip concentratiekamp is een eufemisme - het geeft aan dat mensen geconcentreerd werden om een speciale behandeling te ondergaan. Die behandeling bestond in eerste instantie uit opsluiting en afzondering uit de maatschappij. De nazi’s spreken bijna alleen in eufemismen: behandeling, afzondering, verwijdering, “ausmerzen” enzovoort. Ik kom daar later op terug.

Dood door mishandeling, ondervoeding, ziekte en slechte hygiënische omstandigheden waren aan de orde van de dag in het kamp. Hoewel er ook veel politieke gevangenen, tegenstanders van het regiem, criminelen, soldaten van de vijand, verzetsstrijders, zigeuners en homoseksuelen werden opgesloten, waren de transporten die vanaf 1941 plaatsvonden vanuit Duitsland en bezet Europa voornamelijk gericht op het joodse volksdeel. Ze werden toen in eerste instantie bijeen gebracht in steden waar een getto werd ingericht of in kampen die verschillende functies hadden.[xci]

Ook de bondgenoten van de Duitsers in de oorlog maakten zich schuldig aan het vervolgen, vermoorden en het transporteren van de joden. Bekend is de samenwerking van de Franse politie met de Gestapo bij het opsporen van joden. Bekend is ook het indringende verslag van Edgar Hilsenrath getiteld “Nacht”  over zijn verblijf in een Roemeens Getto.[xcii]

Pas in een volgende fase in de oorlog werden de transporten rechtstreeks naar een speciaal vernietigingskamp geleid of vonden er in de concentratiekampen zelf selecties plaats bij aankomst in het kamp. Er is dus sprake van een geleidelijke en soms vooraf geplande en voorbereide ontwikkeling.[xciii] Nazi’s die hadden deelgenomen aan het euthanasie-programma door talloze geestelijk gehandicapten te vermoorden werden later als deskundigen ingezet voor nieuwe taken: het vernietigen van gevangenen. Op sommige plaatsen werden gaswagens ingezet om joden te vermoorden.[xciv] De geschiedenis van het kamp Auschwitz, op de grens van Oostenrijk en Polen, laat zien dat de overgang van kazerne naar vernietigingskamp niet in één keer plaatsvond maar het gevolg was van een geleidelijk proces waarbij aan een aantal voorwaarden moest worden voldaan.[xcv]

Een vernietigingskamp in de grootte van Auschwitz, een begrip dat ná 1945 staat voor de vernietiging van het joodse volk, vraagt nogal wat logistieke organisatie. Op een knooppunt van spoorwegen was het bij uitstek een plek om velen te verzamelen. Anus Mundi wordt de plaats genoemd door een van de overlevenden, die werkzaam was in het crematorium, Wieslav Kielar. Philippe Müller, een andere overlevende, beschrijft in “Sonderbehandlung” hoe gevangenen werden vermoord door vergassing en daarna verbrand. De Poolse schrijver Tadeusz Borowski beschrijft indringend hoe de treinen werden uitgeladen en de mensen naar de gaskamers werden vervoerd.[xcvi] Talloos zijn de getuigenissen van de gruwelen die hier hebben plaatsgevonden.

De dood van miljoenen werd via industriële methoden uitgevoerd. Er zijn plannen en tekeningen bekend van de bouw van de crematoria in Auschwitz. Alles werd aan de tekentafel uitgedacht.[xcvii] Ook werd nagedacht over hoeveel gevangen ondergebracht konden worden in de afzonderlijke barakken: de ruimte moest telkens door meer gevangenen worden gedeeld omdat er steeds meer mensen bijkwamen. Het begrip wonen of verblijven wordt hier op een perverse manier vertaald: het is een bijeen persen van lichamen op britsen, zoveel mogelijk in één gebouw.

Veel kampen werden voor of aan het begin van de oorlog gebouwd in de buurt van steen- of kiezelgroeven. De gevangenen konden zo als gratis arbeidskracht door de SS worden ingezet voordat ze werden vermoord. Mauthausen is een berucht voorbeeld.

De architect Speer, die voor Hitler Berlijn opnieuw architectonisch ontwierp, kon gebruik maken van het materiaal dat uit deze groeven werd gewonnen. In een later stadium van de oorlog zal hij zijn talenten inzetten om de productie van oorlogsmateriaal tot het uiterste te bevorderen, zoals door de inzet van gedwongen arbeidskrachten uit bezet gebied. Zonder het slavenbestaan van talloze gevangenen, zou de oorlog waarschijnlijk eerder zijn afgelopen. Kamp Dora, waar raketten werden gebouwd, de zogenaamde V1 en V2’s, is een gruwelijk voorbeeld van die slavenarbeid van gevangenen.

Op die manier persten de Nazi’s het laatste restje levenskracht uit hun gevangenen om dat economisch te gelde te maken. In dit licht kun je ook de vestiging zien van grote fabrieken zoals de Bunawerken (Monowitz) in de buurt van Auschwitz-Birkenau omdat het potentieel aan gratis “werknemers” d.w.z. slaven groot was. Primo Levi werkte er als chemicus.[xcviii]

Allen die niet in het vooraf gedefinieerde arbeidsproces pasten werden vanaf 1943 zonder pardon rechtstreeks voor de gaskamer en de uitroeiingsdood geselecteerd. Het Hongaarse transport in 1944 is op foto’s vastgelegd; het is een zeldzaam document. Op de foto’s is zichtbaar hoe de selectie in zijn werk ging.[xcix] Na de vergassing werden de dode lichamen door speciale commando’s van gevangenen verzameld en verbrand in daarvoor speciaal ingerichte ovens. De as werd verkocht als kunstmest en de goederen van de gedode gevangenen werden geselecteerd en teruggestuurd naar Duitsland o.a. ter lediging van de nood van armere Duitsers (als vorm van “Winterhilfe”). Goud, sieraden en bankbiljetten werden door de nazi’s verzameld voor eigen gewin. Corruptie vierde hoogtij. Velen waren koopbaar om omkoopbaar. Het “Herrenras” was minder “Herr” dan ze naar buiten toe deden voorkomen. Veel romans doen hiervan verslag. Hieruit zal ik later nog citeren. Ook Rudolf Höss, commandant in Auschwitz in de jaren dat grote aantallen werden vergast, heeft het proces van selectie en vernietiging van de joden beschreven in een verslag voor de rechtbank na zijn gevangenname - een verslag dat in de bijlage van dit essay wordt weergegeven.[c]

Zo is de kringloop rond: elk onderdeel van de verklaarde vijand werd benut voor de eigen oorlogsmachine en de Duitse samenleving.[ci] De mensen, de gevangenen, de joden werden, zolang ze in leven waren, uitgeknepen als citroenen en daarna achteloos weggegooid. In feite werden ze gerecycled. Een absolute transformatie die niet zo soepel verliep als de nazi’s misschien zouden hebben gewild - want de oorlog gooide roet in het eten - maar ze waren een heel eind op weg om hun doelen te halen.

De oplossing van het rassenvraagstuk zoals dat tijdens de conferentie bij de Wannsee door de nazi’s kopstukken werd voorgesteld, namelijk de uitroeiing van alle joden en andere vermeende vijanden van het Duitse volk, werd in die zin een letterlijke “Auflösung” - op-lossing van deze verdoemden.[cii] Van velen zal helemaal niets meer overblijven. Ze zijn opgelost in de geschiedenis zoals suiker in de oceaan. Hun gedachtenis wordt na die tijd moeizaam vastgehouden in verslagen, studies, naamboeken en monumenten. Deze episodes uit de Tweede Wereldoorlog hebben vooral dit aan het licht gebracht: de uiterste en meest radicale consequentie van het filosofisch idee van de verheerlijking van het eigen volk en ras was de letterlijke uitroeiing van het lichaam van de niet ras-genoot en de lichamen van een heel volk.[ciii] De verabsolutering van het eigen ras en volk leidde tot de vernietiging van alles wat daar niet toe behoorde.  

 

Wereldbeeld: eigen volk en ras eerst

 

Dit wereldbeeld van de nazi’s en de bijbehorende taal die dit proces van vernietiging aanstuurde wordt zichtbaar in een ideologie van de rassen die onderscheid maakt tussen “Übermenschen”[civ] en “Untermenschen”[cv]. Voorbeeld van de “Übermensch” was in de ogen van de nazi-ideologen bij uitstek de SS-er.[cvi] De slachtoffers van deze oorspronkelijke bewakers  in de concentratiekampen[cvii] denken daar uiteraard heel anders over zoals Abel Herzberg in “Amor Fati” laat zien.[cviii] Herzberg schets de geestelijke leegte van deze dienaren.[cix] En hij beschrijft ook hun helpers, de capos, gevangenen die voor een extra beloning medegevangenen terroriseren.[cx] In de ogen van de nazi’s worden de “Untermenschen”[cxi] op gelijk niveau gezien als ongedierte dat vernietigd moet worden.[cxii] Alle volken ten oosten van Duitsland vielen daar in principe onder. In hen hoefde niet geïnvesteerd te worden, zij waren hoogstens goed om voor de Duitsers slavendienst te verrichten.[cxiii] Reeds in het begin van de oorlog gingen SS-ers zich te buiten in speciale commando’s om Poolse intellectuelen en joden in Polen af te slachten. Een aantal officieren van de Wehrmacht maakt hier melding van.[cxiv] Daarbij kregen ze ook vaak hulp van de plaatselijke bevolking. Daarvan zijn gruwelijke voorbeelden bekend. Geert Mak beschrijft dit in zijn boek “In Europa. Reizen door de twintigste eeuw.”[cxv]

Het Duitse volk had in de visie van de nazi’s leefruimte - “Lebensraum” - nodig om te kunnen groeien en die ruimte werd in het Oosten gezocht.[cxvi]  Er was alleen een probleem, die ruimte was niet leeg maar werd bewoond door miljoenen mensen. Er werd over nagedacht hoe met deze bevolking omgegaan moest worden. In het boek van Susanne Heim en Götz Aly “Vordenker der Vernichtung. Auschwitz und die deutschen Pläne für eine neue europäische Ordnung”  worden documenten en plannen hieromtrent geanalyseerd. Zij leggen getuigenis af van het feit dat ook vooraanstaande wetenschappers hun diensten hebben verleend om over deze volksverhuizing en geplande vernietiging van velen na te denken. Een aantal van hen werd na de oorlog niet vervolgd.[cxvii]

Op het einde van de oorlog toen Goebbels het Duitse volk voorhield of ze de “Totale oorlog wilden” werd iedereen die geen Duitser was en in het oosten woonde als volslagen waardeloos beschouwd. Het werd ook openlijk uitgesproken voor een volle zaal.[cxviii]

Toen reeds langer bleek dat de oorlog niet meer te winnen was werd één doel overeind gehouden: de vernietiging van de joden in Europa. Voor dat doel werden zoveel mensen en materieel ingeschakeld dat dit vanuit het oogpunt van de logistiek ten behoeve van de oorlogsmachine absurd lijkt. Bijvoorbeeld Eichmann die in 1944 nog alles op alles zet om in Hongarije alle joden te laten transporteren.[cxix]

Een ander thema in dit licht, dat de laatste jaren meer aandacht krijgt is, het feit dat grote delen van Rusland, vooral de Oekraïne, na de bezetting door het Duitse leger vrij gemaakt werden van joden, “Judenrein”; vrijmaken en jodenvrij zijn beiden een eufemisme voor uitmoording van de totale joodse bevolking.[cxx] Speciale commando’s, soms met hulp van het leger en vaak met dwangarbeid van de niet-joodse bevolking, (zij moesten massagraven uitgraven), werden ingezet om systematisch alle dorpen door te kammen op zoek naar joden. Kleding en andere bezittingen werden vaak daarna onder de bevolking verdeeld. Op deze wijze zijn tussen 1941 en 1944 naar schatting anderhalf miljoen joden met kogels vermoord.[cxxi]

Een van de absurditeiten uit deze tijd is het verzamelen van levende slachtoffers om hen in een kleine gaskamer speciaal hiervoor gebouwd, te doden en hun skeletten later op te zetten in het anatomische museum. Het joodse volk zou uitsterven en daarom moesten ‘exemplaren’ museaal bewaard worden. In het kamp Natzweiler Struthof in de Franse Elzas werd dit voornemen uitgevoerd door professor Hirt.[cxxii] Er werden na goedkeuring door Himmler 150 gevangenen geleverd vanuit Auschwitz.[cxxiii] In Natweiler-Struthof werden ze vergast en in de grote ijskisten die zich daar ten behoeve van het hotel bevonden bewaard. In het proces van Neurenberg is aandacht besteed aan deze procedure in het kader van experimenten met mensen zoals die ook hebben plaatsgevonden in onder andere Dachau.[cxxiv]

Dit voorbeeld, een uit velen, toont aan dat de ideologie, het wereldbeeld van de nazi’s geleid heeft tot een van de meest gruwelijke en bloeddorstige episodes uit de geschiedenis van de mensheid. In zijn extremiteit werpt deze periode en het gedrag van de betrokken nazi’s veel vragen op. De verblinding moet wel erg groot zijn geweest om het empirisch gegeven dat wij allemaal hetzelfde lichaam hebben en daarmee ook sterfelijk zijn over het hoofd te zien. Want, zo is mijn stelling, als wij allemaal sterfelijk zijn, waarom zouden we dan zoveel energie stoppen in een utopisch verlangen dat zoveel doden en moorden kost? Een utopie die een dergelijke prijs vraagt is niet alleen onmenselijk maar ook ten diepste absurd vanuit het oogpunt van een mensenleven dat slechts kort duurt en dat niet een eeuwig (en onsterfelijk) leven toebedeeld krijgt. Deze utopie vraagt/eist alleen maar offers zonder er iets voor terug te geven. De beloning in de vorm van een leven voor de kleinkinderen, de nieuwe generaties na ons, mag dan wel aantrekkelijk klinken, maar is vanuit het handelen gezien, een samenleving gebouwd op bloed, op lijken, op moord. Ook de interpretatie vanuit het kader van de rassenleer en de nazi-heilseconomie komt hier niet omheen. In hun denken hoorde het moorden er bij omdat het een bevestiging was van hun superioriteit als heersers. In feite is dit utopisch project een bevestiging van hun opvatting dat de nieuwe toekomst die hen voor ogen stond niet anders dan een wrede heerschappij kon inhouden - waar het recht van de sterkste geldt en waar de geboden uit de bijbel gericht op een humane samenleving buiten werking zijn gesteld. De bijbelse geboden ondersteunen geen rassenideologie en geen recht van de sterkste, want moord blijft moord hoe je het ook wilt verdraaien.

Hieruit komt naar voren dat de religieuze dimensie in het denken van de nazi’s, misschien teveel onderschat is geweest. Zij heeft waarschijnlijk meer gewicht gehad dan misschien algemeen verondersteld wordt.[cxxv] Want ik vermoed dat alleen het voorhouden van een economische beloning aan het volk in de vorm van werk, brood en spelen, niet de tomeloze inzet verklaart waarmee de nazi’s onder het oog van alle burgers, hun werk van vernietiging van Joodse en andere groepen hebben kunnen uitvoeren. Onder het oog van de burgers moet in deze genuanceerd worden: de nazi’s waren deel van de maatschappij en veel burgers waren of nazi of hen goed gezind. En, de ellende van de voortschrijdende oorlog, de toename aan gebrek op allerlei terrein, de vele doden aan het front, hebben er misschien ook in grote mate toe geleid dat velen geneigd waren de ophitsende taal van de nazi’s te geloven, dat iemand moest boeten voor al deze ellende: die iemand waren dan de joden. Zo is de cirkel rond: in plaats van de schuld bij de nazi’s zelf te leggen als effect van hun optreden en hun oorlogsdrang, worden de joden zondebok van ook datgene wat ze nooit zouden kunnen hebben veroorzaakt. In de ogen van de nazi’s waren de schuldigen dan ook de joden buiten het oorlogsgebied, het internationale “jodendom” in de Verenigde Staten, een fictie waarin velen vandaag de dag nog geloven en die in de valse/vervalste Protokollen van de wijzen van Sion ook in neo-nazi-kringen en in radicale islamitische stromingen weer opduikt. Alsof er van het verleden niets geleerd is.

Robert Antelme beschrijft in “Das Menschengeschlecht” hoe de nazi’s tot op het einde van de oorlog, als de frontlinies van de geallieerden dichtbij zijn, hun prooi aan gevangenen niet willen laten gaan. Deze gevangenen uit de vele kampen worden eindeloos op transport gesteld naar plekken die nog niet bevrijd zijn.[cxxvi] De vernietiging van de joden en van de andere gevangenen werd dus als een heilige plicht beschouwd. Er mochten geen getuigen overblijven van deze periode. Ze moesten van de aardbodem verdwijnen.

Daniel Blatman is een van de eersten die gepoogd heeft om deze doodsmarsen van gevangenen op het einde van de oorlog, systematisch en overzichtelijk te analyseren, als onderdeel van de nazi-strategie om zich van hun gevangenen te ontdoen en te voorkomen dat ze in de handen van de geallieerden vielen.[cxxvii] In deze periode zijn er nog op de valreep van het einde van de oorlog honderdduizenden gevangenen gestorven. Daarbij vielen ook nog eens honderdduizenden soldaten in de laatste maanden van de oorlog, ten prooi aan de onwil van hun leiders om een einde aan de gevechten te maken die hoe dan ook verloren waren. Veel Duitse steden zijn gebombardeerd om zo de nazi’s op hun knieën te dwingen, zonder succes. Veel cultuurgoed dat sinds de middeleeuwen bewaard was gebleven werd zo vernietigd. De nazi’s preekten tot het allerlaatst een totale “Mobilmachung” en velen geloofden nog in “Wunderwaffen”, alsof de oorlog daarmee op de valreep te winnen zou zijn. Het zijn gedachten van een wanhopige, een waanzinnige. De enorme puinhopen van de gebombardeerde steden waren niet krachtig genoeg om hen op andere gedachten te brengen.

De totale oorlog werd een totale ondergang, zoals Longerich treffend beschrijft in zijn biografie over Joseph Goebbels. Ik vermoed dan ook dat de nazi’s in hun ondergangsstemming eigenlijk niemand meer in leven hadden willen laten. Hitler vond, zo zijn woorden, dat de Duitsers het aan zichzelf te danken hadden dat ze nu ondergingen. De missie was mislukt, het duizendjarige rijk als utopische gedachte bleek een flop, een illusie.

Er zijn ook pogingen ondernomen om dit fanatieke en moordzuchtige gedrag van de (Duitse) nazi’s te verklaren. In het nawoord van Curzio Malaparte’s boek met de titel “Kaputt” dat handelt over deze oorlogsperiode schrijft Jan van der Haar het volgende: “Malapartes stelling is dat de mens, het enige dier dat zich van de dood bewust is, genoegen ontleent aan de dood van een ander, om het leed om zijn eigen dood te verzachten. Vandaar komt hij tot de conclusie dat wreedheid iets metafysisch is, iets intellectueels, en dat wrede volkeren, waartoe hij de Duitsers rekent, metafysische volken zijn.”[cxxviii]

In genoemde roman zelf zegt Malaparte hierover, na een diner bij Hans Frank, hoogste baas op dat moment in het bezette Polen: “In geen enkel deel van Europa was de Duitser me zo naakt, zo onbedekt voorgekomen als in Polen. In de loop van mijn lange oorlogservaring was ik tot de overtuiging gekomen dat de Duitser geen enkele angst heeft voor de sterke man, de gewapende man die vol moet de strijd met hem aanbindt en hem het hoofd biedt. De Duitser is bang voor de weerlozen, de zwakken, de zieken. Het thema van de “angst”, van de Duitse wreedheid als gevolg van angst, was het grondthema van mijn hele ervaring geworden. Voor wie goed kijkt, met een moderne, christelijke instelling, beweegt die “angst” tot mededogen en afschuw: nog nooit had hij zoveel mededogen en zoveel afschuw bij me gewekt als nu in Polen, waar het ziekelijke, vrouwelijke element ervan me in heel zijn complexiteit verscheen. Wat de Duitser tot wreedheid beweegt, tot daden die op de meest kille, methodische, wetenschappelijke manier wreed zijn, is angst. De angst voor de onderdrukten, de weerlozen, de zwakken, de zieken, de angst voor de bejaarden, de vrouwen, de kinderen, de angst voor de joden. En hoewel hij zijn best doet om die geheimzinnige “angst” te verbergen, moet hij er altijd weer over spreken, en altijd op de meest ongepaste momenten, vooral aan tafel: daar waar de Duitser zich blootgeeft, hetzij door de warmte van de wijn en het eten, hetzij door het zelfvertrouwen dat hij krijgt omdat hij zich niet alleen voelt, hetzij door de onbewuste behoefte om zichzelf te bewijzen dat hij niet bang is, waar hij zich laat gaan over honger, executies, bloedbaden, en wel met een ziekelijke voldoening die niet alleen rancune, jaloezie, ontgoochelde liefde en haat verraadt, maar ook een deerniswekkende wonderbaarlijke zucht tot zelfvernedering. Het geheimzinnige hoogstaande van de onderdrukten, de zieken, de zwakken, de weerlozen, de bejaarden, de vrouwen en de kinderen merkt en voelt de Duitser, misschien meer dan enig ander Europees volk benijdt en vreest hij die. En hij neemt er wraak op. Er schuilt iets van felbegeerde geslagenheid in de arrogantie en bruutheid van de Duitser, een diepgaande behoefte om zichzelf naar beneden te halen in zijn nietsontziende wreedheid, een zucht tot zelfvernedering in zijn geheimzinnige “angst”.”[cxxix]

Ik heb dit citaat weergegeven omdat het een mogelijke psychologische verklaring geeft voor de begane wreedheden in deze oorlog. Of dat in deze zin waar is kan ik hier niet onderzoeken. Beschrijvingen van de situatie in de concentratie kampen door gevangenen maken ook de dubbelzinnigheid zichtbaar van het handelen van de personen in kwestie.[cxxx]

Modellen ter verklaring die de wereld in goed en kwaad, zwart en wit verdelen verklaren eigenlijk niets. Ze zijn niet alleen te eenvoudig om de complexiteit recht te doen van het gebeuren, maar maken in feite gebruik van hetzelfde schema als het model dat de nazi’s hanteerden in hun waarneming van de werkelijkheid. Zwart-wit denken is een vorm van totalitair denken, het is de werkelijkheid persen in het keurslijf van het zelf-gewenste wereldbeeld. Als het zelfbeeld en het wereldbeeld zo radicaal worden doorgezet dat het lichaam daaraan ondergeschikt wordt gemaakt, kan het lichaam niet anders dan de dupe daarvan worden. Het inferno dat aanbrak met de Tweede Wereldoorlog is daar alleen maar het bewijs voor.

“De Tweede Wereldoorlog kostte aan minstens eenenveertig miljoen Europeanen het leven: veertien miljoen militairen en zevenentwintig miljoen burgers, onder wie ongeveer zes miljoen joden. Het was een ramp die zes jaar lang iedere dag gemiddeld twintigduizend doden kostte. In Polen en de Baltische staten was aan het eind van de oorlog één op de vijf inwoners omgekomen. In de Sovjet-Unie kon lange tijd het dodental alleen maar geschat worden aan de hand van de terugval van de totale bevolkingscijfers.”[cxxxi] De doden in de rest van de wereld nog niet eens meegeteld. Schattingen spreken over een totaal van 50 miljoen doden waaronder tweederde niet militairen.

Dat de Tweede Wereldoorlog in de DDR nog een tijdje doorging voor gevangenen van het regiem dat het eigenland als een zogenaamd vrij land beschouwde bewijst het bestaan van “Frauengefängnis Hoheneck” of ook “Frauenzuchthaus Hoheneck” genaamd. Vrouwen werden hier tot in de jaren tachtig op schandalige wijze mishandeld door slechte huisvesting, wrede opzichteressen en onmenselijke straffen, een soort ‘nazi-regiem’, ook al noemde het zich communistisch of socialistisch, dat alleen de kleur van de jas had gewisseld.

 


 

C. Het lichaam als object van het martelen

 

 

“De vijand

 

Ze roken anders, ze liepen anders, ze droegen andere kleren,

ze spraken een andere taal. Dat zegt genoeg.

Toch waren het geen vreemdelingen: het was de

vijand, het waren vijandelijke soldaten. Zo was het

afgesproken.

Men probeert ons nu wel eens wijs te maken dat

het eigenlijk gewone mensen waren, jonge mensen,

maar hoe konden wij dat weten. Af en toe hoorde je

wel eens iemand zeggen: het zijn ook maar jonge kerels,

maar daar sloeg je geen acht op. Ze droegen immers

uniformen!

Het was de vijand.

Ik begrijp er niets van.”

Armando[cxxxii]

 

 

 

In de periode 1984-1989 heb ik mij intensief bezig gehouden met onderzoek naar martelingen van politieke gevangenen in Latijns Amerika. Onderdeel van het onderzoek was het toetsen van de  hypothese van de contrastervaring in de concrete situatie van slachtoffers van marteling. Een hypothese ontleend aan Edward Schillebeeckx,[cxxxiii] die deze had overgenomen van Walter Benjamin. Schillebeeckx zegt over deze ervaring het volgende; “Contrastervaring, vooral in herinnering aan s’mensen feitelijke geschiedenis van opeengestapeld lijden, bezit echter een eigen kritische kenwaarde en -kracht, die niet te herleiden zijn tot het doelgerichte “Herrschaftswissen” (de vorm van kennis eigen aan wetenschap en techniek) of tot de diverse vormen van contemplatieve, esthetische en ludieke “doelloze” kennis. [...] De kenwaarde die eigen is aan het lijden, is niet alleen kritisch tegenover beide positieve vormen van menselijk weten, dialektisch kan zij tevens de schakel vormen tussen de beide, contemplatieve en actief-beheersende, kenmogelijkheden van de menselijke psyche.”[cxxxiv] Schillebeeckx noemt deze eigen kenkracht van het lijden praktisch-kritisch, dat wil zeggen een kenkracht die aanzet tot nieuwe praxis gericht op een betere toekomst. Of dat zal lukken is ook volgens Schillebeekx niet zeker. Schillebeeckx stelt dat “de lijdenservaring als contrastervaring een impliciete geluksdrang veronderstelt, een drang naar heil of heel-making, en als onrecht-lijden veronderstelt het minstens een vaag bewustzijn van wat menselijke integriteit  of heel-heid positief zou moeten betekenen.”[cxxxv] Deze vooronderstelde impliciete geluksdrang heb ik willen onderzoeken en eventueel aantonen in de situatie van het martelslachtoffer. Daarmee testend of de categorie van de contrastervaring toch niet teveel een idee is, een vorm van wensdenken i.p.v. werkelijkheid. Toegang tot de ervaringen van martelslachtoffers zou vooral plaatsvinden via hun (schriftelijke) getuigenissen. Maar een analyse-instrument om deze te bestuderen ontbrak in die periode en een onderzoek via de semiotiek leverde toen geen nieuwe handvaten op. Ik ben mijn onderzoek gestopt toen ik een vaste baan kreeg, maar het thema heeft mij nooit losgelaten. Vandaar ook dat het fenomeen martelen in deze tekst terugkeert als grenservaring.  

 

Foltering als instrument

 

Marteling, geweld en kwelling van mensen is zo oud als de mensheid.[cxxxvi] De bijbel kan erover meepraten, ik noem enkele voorbeelden. De moord op de kinderen van de Israëlieten bevolen door de Farao (Exodus 1); de Makkabeese broers (2 Makk. 7) die vervolgd en gedood worden na te zijn gemarteld. De beschreven moord op de kinderen bevolen door koning Herodus na de geboorte van Jezus. De marteldood van Jezus van Nazareth zelf en later van velen van zijn leerlingen. Elia die de profeten van Baal afslacht met het zwaard in een vlaag van woedende razernij. De gruwelen die veel van de profeten moeten ondergaan. Tallozen worden om reden van het geloof in de geschiedenis van de mensheid gedood.[cxxxvii] Op allerlei manieren, op allerlei plekken. Mensen worden gedood in het vuur, in het water, met stenen, met wapens, gewurgd, gevierendeeld, op elke denkbare wijze verminkt en afgeslacht. Bekend zijn de verhalen van heersers en volken die genoegen schepten in het langzaam afslachten van hun tegenstanders. Elias Canetti heeft het uitgebreid over geschreven in “Masse und Macht”.[cxxxviii] Ook Erich Fromm heeft een poging ondernomen om dit verschijnsel psychologisch te verklaren.[cxxxix] Andersdenkenden werden vervolgd en gemarteld. Bekend zijn de eerste kruistochten tegen de Katharen en Waldigenzen in het Zuiden van het huidige Frankrijk.[cxl] Daarna volgden de kruistochten om het “Heilige Land” te veroveren. De moordpartijen waren daarbij zo gruwelijk dat volgens getuigen de overwinnaars waden in het bloed. Over een “heilige” taak gesproken. Jean-Pierre Wils heeft dit religieus fanatisme dat ontaardt in geweld, tegen het licht gehouden in zijn boek met de titel “Sacraal geweld”, waarbij hij ook specifiek aandacht besteedt aan de kruistochten en motivatie hiervoor.[cxli] Uit deze periode stammen ook de vervolgingen van joden in Spanje, Frankrijk en het Rijn-gebied als een soort voorproefje van wat de bewoners van het Heilige Land te wachten stond als de kruisridders er zouden arriveren.[cxlii] De plebs aangevuurd door jodenhaters en hen die er winsten uit sloegen (omdat ze dan leningen niet hoefden terug te betalen) organiseerden zo hun eigen kruistocht in het klein.

Uit de middeleeuwen zijn gruwelijke martelprocedures bekend van mensen die slachtoffer werden van de inquisitie, de kerkelijke politie.[cxliii] Zogenaamde ketters, vijanden van het geloof en de kerk, werden genadeloos vervolgd en gedood. Vrouwen (en soms mannen) werden als heksen gebrandmerkt, gemarteld en verbrand.[cxliv] Inzet is het psychologisch breken van een mens via het lichaam. In de moderne tijd zijn daar nog nieuwe technieken[cxlv] bijgekomen zoals voortdurend lawaai van harde muziek, slaapdeprivatie en het gebruik van elektriciteit, chemische substanties en medicijnen. Geestelijken en artsen hebben in weerwil van hun beroepseed en functie de beulen bijgestaan bij hun handwerk. De Tweede Wereldoorlog geeft daar genoeg voorbeelden van. Ook in verslagen uit Argentinië, in de zeventig en tachtiger jaren van de vorige eeuw, worden namen van aalmoezeniers en artsen genoemd die aanwezig zijn bij het martelen.  Zij zijn aanwezig om het proces te begeleiden, door zelf mee te doen of door de lichamelijke toestand van het slachtoffer te bewaken, zodat de foltering langer en effectiever kan duren.[cxlvi]

Voordat het lichaam als object aan allerlei kwellingen wordt onderworpen, zonder acht te slaan op de persoon van wie dit lichaam is, heeft als het ware al een proces van ‘ontmenselijk’ plaatsgevonden. Het is in handen van de beul tot materie, tot ‘materiaal’ geworden. 

De ontmenselijking en degradatie van het lichaam door het te beschouwen als werktuig voor slavenarbeid of als object van martelen is niet alleen de ontkenning van het lichaam als auto-topie, maar het is ook een welbewuste poging tot vernietiging van dat lichaam en het zelf dat erin huist.[cxlvii] Martelen goedkeuren om informatie te winnen over plannen van de vijand is in feite de verwoesting van een mens goedkeuren omwille van een ander doel. Cornelis Verhoeven analyseert het mechanisme van het folteren als middel om doelen te bereiken in het boek “Folteren om bestwil” een van de weinige reacties van een filosoof op dit thema. Hij schrijft al aan het begin van zijn boek, en ik citeer hem uitgebreid omdat hij hier een aantal belangrijke thema’s benoemt die rond folteren een rol spelen:

“Folteren is een' vorm van geweld. […] In de foltering nu komt het geweld het dichtst bij het middel. Van alle lichamelijk geweld lijkt ze het meest doelmatig. Iemand slaan of doden uit woede om wat hij gedaan heeft, is alleen een magische poging om het verleden ongedaan te maken. Merkwaardig genoeg hebben velen van ons juist hiervoor veel begrip: een blinde woede of een vlaag van waanzin, toppunt van irrationaliteit, lijkt als motief van handelen het meest doorzichtig te zijn. Geweld lijkt eerder geëxcuseerd te worden naargelang het duidelijker zinloos is en tegelijk meer voortkomt uit heftige gevoelens van woede, dus naargelang het meer een expressie van machteloosheid is. Wij begrijpen vlot dat er in zo'n situatie althans 'iets' gedaan moet worden, want er is niets zo moeilijk als zich voor te stellen dat er situaties zijn waarin helemaal niets doen het enig juiste optreden is.

Maar zodra het geweld bewust en uit naam van een beginsel gehanteerd wordt, zonder de expressie te zijn van een begrijpelijke woede, koel en met een schijn van technische efficiency, reageren wij met verbijstering. Dat betekent dat wij het geweld niet zozeer verwerpen als expressie, maar wel als middel, niet als dreiging, maar als cynisch uitgevoerde praktijk. Zoiets kan alleen gebeuren vanuit de illusie, dat het geweld 'eigenlijk' inderdaad een middel is, maar dat het behoort tot die voorraad van efficiënte middelen, die wij alleen in geval van nood mogen gebruiken, dus uit machteloosheid. En van nood is bij folteringen geen sprake, want zij worden toegepast in koelen bloede. Hier raken wij dan het spoor bijster. De oorzaak hiervan is dat wij het geweld wel als middel aanvaarden, maar dan alleen als 'uiterste' middel en dan nog alleen wanneer het 'gebruik' van dat middel gepaard gaat met dramatische expressies van onmacht. Het superieure geweld van machthebbers is erger dan de baldadige liturgieën van machteloze minderheden, niet omdat het 'de bestaande orde' handhaaft, maar omdat het er de schijn van heeft een efficiënt middel te zijn.

Folteringen zijn zo onthutsend omdat hier inderdaad het lichamelijk geweld als middel lijkt te fungeren. Bij straffen is dat ondenkbaar omdat daar het doel onbereikbaar is: de fout kan niet hersteld worden door het offer van de straf; en ook de verwachting dat de delinquent door deze schok tot inkeer zal komen is zuiver magisch. De foltering is iets heel anders. Het slachtoffer wordt niet gestraft, maar indringend benaderd met een boodschap of een vraag. De folteraar wil hem een bepaald besef bijbrengen en hem, in termen van bewustmakers en activisten, 'wakker schudden': hij berooft hem dan ook van zijn slaap, in de aloude symboliek van het dualisme een inbegrip van alle nalatigheid, waartegen de agressie van idealisten en wereldverbeteraars zich samenbalt. Of het slachtoffer is de bezitter van geheime inlichtingen en de foltering is erop gericht hem open te maken en hem zijn geheim te ontfutselen. Hij moet in leven blijven om zijn geheim te kunnen verraden. De folteraar rekt het leven van het slachtoffer, maar ontneemt er de zin aan. Of, zoals A. Peperzak schreef: 'De ander moet leven, niet om zich te ontwikkelen volgens een eigen zin, maar volgens mijn, onze zin. Zijn weerstand moet omgekeerd worden, zodat hij het met ons eens is. Hij moet dus zichzelf, zijn eigen idealen, zin en leven verraden. Zelfverraad maakt hem geen slaaf, maar een handlanger die zichzelf verloochend heeft. Zijn geheim, zijn innerlijkheid heeft hij prijs gegeven.' (C. Struyker Boudier e.a. Politieke dissidenten. Ambo, Bilthoven 1974, p. 126).

Misschien zijn veel beulen pathologische sadisten die er een genoegen in scheppen mensen te kwellen, misschien willen ze hen tegelijk ook straffen voor wat ze tegen het systeem of de gemeenschappelijke wil misdaan hebben, maar in wezen is hun aandacht gericht op de toekomst. Zij hebben wel degelijk een doel: zij willen meer weten en met die kennis verder komen in het realiseren van hun plannen of die van hun meesters. Of zij willen een bekentenis afdwingen en daarmee zich zelf rechtvaardigen. Nog sterker: zij hebben een ideaal en willen dat ten koste van alles realiseren. Zij doen, zeggen zij, hun werk met tegenzin, maar zij menen dat het nodig is: voorlopig, want als hun ideaal bereikt is, zal er voor altijd vrede en geweldloosheid zijn op aarde. Het enige wat hen in hun eigen ogen rechtvaardigt is de illusie van voorlopigheid, een negatieve fase waar zij even doorheen moeten. Het klinkt waarschijnlijk verbijsterend: de folteraar staat in dienst van een ideaal, hij is een idealist. Maar ik geloof dat het in hoge mate zo is, en omdat ik mij verzet tegen foltering en geweld, vind ik bepaalde vormen van idealisme levensgevaarlijk. Idealisten, mensen die iets groots willen bereiken voor de gemeenschap of iets dat zij als groot beschouwen in stand willen houden, beginnen met een poging hun medemensen te overreden en eindigen als tirannen - of als slachtoffers. Een idealisme zonder innerlijk leven, dat wil zeggen zonder een plaats waar negatieve effecten en mislukking geïncasseerd en verwerkt worden, is terreur. De foltering is een middel dat de overreding moet vervangen: daarom is het een verkeerd en uitzichtloos middel. 'Willst du nicht mein Bruder sein, so schlag' ich dir den Schädel ein.'

Het folteren is geweld in zoverre het een onjuist middel is. Dat het 'voorlopig' is en met tegenzin gehanteerd wordt bevestigt alleen maar dit gewelddadige karakter. Politiek gebruik van geweld wordt nooit zonder meer gerechtvaardigd maar altijd in verband gebracht met een geprogrammeerde voorlopigheid, die steeds weer definitief blijkt te zijn. Daar komt nog bij dat hier een mens tot middel gemaakt wordt. Het is typerend voor mensen die op korte termijn grote idealen willen realiseren dat zij tot deze vorm van tirannie vervallen. Zij maken mensen ondergeschikt aan een systeem of een waarheid, offeren het heden op aan de toekomst en het individu aan wat zij als gemeenschap zien. De foltering is dan niet een op zich dubieus middel, dat door een doel geheiligd wordt; zij is een middel dat op zichzelf al de absurditeit van de doelstelling onthult. Zij is een van de vele perversies, waartoe een al te nadrukkelijke doelstelling met haar ijzeren consequentie voert. Een groot stuk van wat wij opvoeding noemen zou ook wel foltering kunnen heten.

De foltering is een poging het slachtoffer aan te passen aan een uniform model. In de antieke mythologie is Procrystes het prototype van de folteraar: hij sneed of rekte zijn gasten naar het formaat van het bed waarin hij hen legde. Ze moesten allemaal hetzelfde formaat hebben. De foltering houdt verband met het volstrekte onvermogen te aanvaarden dat anderen anders zijn, een agressiviteit tegenover hun geheim. Soms is dit geheim een bruikbare kennis, maar dan nog is die kennis alleen maar bruikbaar in zoverre zij afbreuk kan doen aan de zelfstandigheid van het andere systeem, het andere geloof of de andere waarheid die zich probeert te handhaven tegenover het uniforme ideaal.

De folteraar wil gelijkschakelen. Hij kan de gelijktijdigheid van twee geloven of waarheden niet verdragen. De tang van het dilemma is het folterwerktuig bij uitstek. De beul is een apostel die aan de kracht van zijn eigen woorden wanhoopt en daarom overgaat tot overredende daden. Hij begint met een vriendelijk gesprek, met verontschuldigingen en begrip, en hij eindigt als tiran en beul. Hij is niet in staat het echec van zijn woorden te incasseren omdat hij gelooft in zijn systeem. Zijn 'wakker schudden', dat zo veelbelovend, didactisch als het ware begint, wordt steeds handtastelijker, totdat het ontaardt in wreedheid. Op dat moment wordt hij een onmens, een vertegenwoordiger en priester van het tirannieke systeem dat niet in een echec voorziet. Systemen en instituten zijn altijd wreed en gewelddadig; zelfs de vroomheid als systeem heeft nog duizenden slachtoffers op haar geweten. Waarschijnlijk is ' systeem' een ander woord voor wreedheid. Want wreedheid is te omschrijven als de consequente toepassing van een principe en de aanvaarding van een negatieve fase daarbij. Het is de zekerheid waarmee een bedacht beginsel in praktijk gebracht wordt, tegen elke evidentie in. De enige mens die niet kan folteren is de scepticus. Hij gelooft niet in dilemma's. Zijn verzet tegen terreur begint met het verwerpen van het dilemma als manier van denken. Juist hij is een balling binnen onze cultuur. Want scepsis is een verlamming tegenover het dogma van de actie en op dat dogma is onze cultuur gebouwd. De wereld waarvan wij getuige zijn is oneindig gecompliceerder dan de wereld die wij in handen hebben en die wij 'maken'. De tirannieke folteraar aanvaardt dit niet; hij wil de wereld naar zijn hand zetten. De foltering is een typerende en consequente uiting van westers voluntarisme, dat geen enkele onmacht aanvaardt.”[cxlviii]

Hoe dit proces concreet in zijn werk gaat wordt ook duidelijk uit tal van beschrijvingen van slachtoffers van marteling in bijvoorbeeld Griekenland[cxlix] tijdens het kolonelsregime en landen in Latijns Amerika.[cl] In de periode globaal 1960-1985 werden in Latijns Amerika veel ‘zogenaamde’ tegenstanders van de militaire regimes opgepakt. Dat ging volgens een bepaald patroon: ontvoering, desoriëntatie door een blinddoek of kap over het hoofd (soms gedurende de hele detentieperiode), geheime detentie (vaak op een legerbasis of marinebasis), dan volgde het ondervragen waarbij geslagen werd en waarbij soms harde en zachte ondervraging afgewisseld werden (een goede zonder en een kwade ondervrager met toediening van pijn). In veel gevallen werd elektriciteit gebruikt om te martelen omdat er dan minder sporen zichtbaar waren. In feite is de lijst van methodes van martelen zeer lang.[cli] In Argentinië werden veel gevangenen daarna vermoord, door hen boven zee te droppen. Bekend zijn ook de kinderen die gestolen werden bij vrouwelijke gevangenen en die aan nieuwe ouders werden gegeven (vaak mensen uit het leger). Andere gevangenen kwamen in de gevangenis terecht (al dan niet veroordeeld) of ze werden vrijgelaten.[clii]

Het schema is duidelijk: eerst wordt het zelf losgemaakt uit zijn leefwereld, weg van thuis en van zijn werk, zijn vertrouwde omgeving. De volgende stap is het zelf losmaken van de wereld door alles wat hem of haar dierbaar is pogen af te breken door marteling. Het meest dichtbij is het lichaam en via het lichaam wordt het zelf aangepakt. Met als doel informatie over anderen los te maken. Om vervolgens ook hen te arresteren en in de molen van de marteling te vermalen. Marteling is in deze zin een middel om de ander te breken en geestelijk kapot te maken via zijn lichaam.[cliii] Cornelis Verhoeven schrijft dat beul en gevangene deel uitmaken van een systeem:

“Het slachtoffer zwijgt tot het uiterste. Hij wil zich niet bekeren en vooral: hij wil zijn geheim niet verraden, met name wanneer het een collectief geheim is en verraad niet alleen het geven van inlichtingen is maar ook het leven van gelijkgezinden in gevaar brengt. Al zwijgend demonstreert hij zijn weten en vertegenwoordigt hij de zelfstandigheid van het andere systeem. Hij verhardt zich tot iets substantieel anders, ook hij weigert de dialoog en escaleert daardoor de foltering. Hoe hardnekkiger het zwijgen is, des te groter is het weten, des te hechter het systeem dat de beul daarachter gaat vermoeden. Voor zover het slachtoffer niet tegenover een volstrekte onmens staat, is ook zijn zwijgen een te kort schieten: het draagt bij tot onmenselijkheid. De onmenselijkheid van de beul bestaat voor een groot deel hierin dat hij de ander voor een dilemma plaatst en in een dwangpositie brengt waarin hij moet verstarren tot aanhanger en exponent van een systeem. Daardoor wordt hij de martelaar van het ene systeem en de nar van het geloof in systemen. Hij illustreert met zijn heroïsch lijden evengoed de illusie van systeem, doel en ideaal als de beul dat doet door zijn foltering. Beul en slachtoffer staan in zekere zin op hetzelfde niveau: de ene fanaticus staat tegenover de andere. Beiden hebben iets van hun eigen persoon verloren en handelen uit naam van een systeem.” [cliv]

 

Het totalitaire systeem

  

Verhoeven trekt daar een zwaarwegende conclusie uit namelijk dat wij als samenleving agressieve en dichte systemen accepteren en niets in de weg leggen: “Dat velen van ons instinctief partij kiezen voor het slachtoffer ligt voor de hand en in deze situatie kan het ook niet anders, maar het ligt alleen voor de hand binnen een cultuur die ook beulen en folteraars, gladstrijkers en gelijkschakelaars produceert. Wij moeten protesteren tegen folteringen maar ook tegen het feit dat wij de beulen nodig hebben om voor hun slachtoffers partij te kunnen kiezen. Met het aanvaarden van agressieve en dichte systemen scheppen wij niet alleen geheimen, maar ook mogelijkheden tot verraad. Als er niets te verbergen was, zou er niets te folteren zijn. Wij creëren als het ware de tegenstelling om partij te kunnen kiezen.”[clv] Verhoeven kiest daarbij geen partij voor een politieke stroming, maar probeert vanuit de vraag waar de folteraar zijn enorme zekerheid vandaan haalt om te doen wat hij doet te achterhalen hoe dit in zijn werk gaat.[clvi]

Deze woorden zijn opeens weer actueel waar een strijd gevoerd wordt tegen de aanhangers van radicale stromingen die het Westen en de westerse invloeden in hun cultuur als een bedreiging ervaren. Afghanistan, Irak, Pakistan, India, Soedan, Ethiopië, Indonesië om maar enkele voorbeelden van landen te noemen waar radicale “moslims” zichzelf opblazen het liefst op locaties waar veel  mensen zijn en waar het effect van hun daad het grootst is en de meeste publiciteit veroorzaakt. Veiligheidsdiensten doen er alles aan, als ze tenminste niet geïnfiltreerd zijn zoals in Pakistan, om vijanden van het regime, aanhangers van de Talibaan (Afghanistan/Pakistan) of Al Qaida bijvoorbeeld te arresteren en hun de geheimen te ontfutselen die zij met zich meedragen. De mythische omschrijving van George Bush, landen die tot de “As van het kwaad”[clvii] behoren, maakt de situatie alleen maar meer ideologisch en roept allen op om partij te kiezen.

Kenmerkend is ook hier het schema waarin de militaire en politieke overheid denkt: voor of tegen het land, voor of tegen de regering of het heersende regime, het  is een eenvoudig vijand-beeld: een wereld in zwart/wit en daarom is alles geoorloofd tegen de vermeende vijand. Amos Perlmutter heeft in zijn studie ”Modern Authoritarianism” een poging gedaan om deze systemen in verschillende landen met elkaar te vergelijken.[clviii] Hij onderzoekt de relatie tussen de fenomenen autoriteit, militair bewind en de ideologische legitimatie. Ook de werken van R.A. Alves, over “Protestantism and Repression. A  Brazilian Case Study” en M.H.M Alves, “State and Opposition in Military Brazil” analyseren de samenhang tussen ideologie van de staat en de uitvoering van het beleid door de staatsdienaren. Als de vijand van de staat eenmaal is gedefinieerd is het vervolgens een kwestie van tegenacties coördineren en uitvoeren: een oorlog in het klein, waarbij net als in een grote oorlog “alles” geoorloofd is om de gestelde doelen te behalen en daarbij de “vijand” uit te schakelen. In het wereldbeeld van de militairen en politici in Latijns Amerika werd het ideeënstelsel van het communisme/socialisme beschouwd als gevaar voor hun eigen opvattingen van de wereld, namelijk hun geloof in het liberale kapitalisme als heilbrengende filosofie. Aanhangers werden dus gebrandmerkt als een gevaar voor de veiligheid van het land, respectievelijk voor degenen die het kapitaal en de macht in handen hadden. In een aantal romans is deze strijd ook vaak op een ludiek ironische wijze verbeeld.[clix]

Deze ideologie wordt meestal op papier gezet in een document dat met het begrip Doctrine van de Nationale veiligheid bekend is geworden.[clx] Deze Doctrine van de Nationale Veiligheid die in veel landen in Latijns Amerika ook een soort van handboek was om tegenstanders van het regiem (en de politieke autoriteiten) te benaderen vanuit de optiek van “veiligheid” bevat in het geval van een aantal Zuid-Amerikaanse landen in de 70 en 80tiger jaren concrete aanbevelingen hoe “terroristen”, vermeende tegenstanders, aangepakt moeten worden. Het begrip “veiligheid” is in deze als eufemisme voor veel uitleg vatbaar. José Comblin[clxi], priester theoloog en bekend van de “Bevrijdingstheologie”, die het opnam voor de armen in Latijns Amerika, heeft hierover veel gepubliceerd. De Doctrine van de Nationale Veiligheid behelst dat de wereld in een totale oorlog verwikkeld is. [clxii] Met wereld wordt dan het zogenaamde vrije Westen bedoeld dat na 1945 verwikkeld is geraakt in een conflict met communistische staten en het communisme als zodanig. Dit communisme wordt als het grote gevaar gezien door de liberale staten die een kapitalistisch systeem huldigen en die voor vrije handel zijn en een vrije markt economie. [clxiii] Het is een product van het Koude Oorlogsdenken dat na de Tweede Wereldoorlog de wereld in haar greep kreeg.

Binnen deze Doctrine van de Nationale Veiligheid wordt de wereld eenvoudig verdeeld in goed en kwaad, voor en tegen het eigen systeem. Communisten zijn de vijand. Het is een politiek gestoeld op ‘geopolitiek’, een verdeling van de wereld in systemen van vrienden en vijanden, van bondgenoten en vijandelijke staten. Maar het is een vijand die echter ook in het eigen land aanwezig is en die ervan verdacht wordt te infiltreren en te saboteren. Deze vijand moet worden opgespoord. Daarvoor krijgt de geheime dienst van het land grote volmachten. Geen grens gaat te ver om deze diensten hun werk te laten doen.

In principe zijn alle burgers die protesteren tegen het regiem in principe verdacht, alle leden van socialistische en communistische partijen worden als potentiële vijanden beschouwd. Velen worden dan ook in de landen van Latijns Amerika in de periodes dat het leger de macht heeft overgenomen, vervolgd en opgepakt. Velen verdwijnen achter en slot en grendel na te zijn verhoord met behulp van marteling. Daardoor ontstaat een sfeer van wantrouwen en onveiligheid in de betrokken maatschappij. Niemand is meer zeker, elke buurman kan informatie verspreiden waardoor je wordt opgepakt. Eenmaal gevangen genomen ben je bij voorbaat verdacht. Het duurt generaties voordat dit wantrouwen uit de maatschappij is verdwenen. Argentinië, Chili en Brazilië, om maar een paar landen te noemen, kunnen erover meepraten.

In dit denken zijn de elites van het land de aangewezen partij om het land te besturen. Deze elite wordt door de top van de legerleiding gevormd en door vooraanstaande rechtse politici en landeigenaren, een concentratie van kapitaal en wapens. Het volk, de burgers hebben te volgen. Hun wordt welvaart voorgehouden die op termijn, als alle vijanden zijn uitgeroeid, mogelijk wordt. Nationalisme en eigen belang zijn de heilige koeien van dit systeem. Het is een vorm van kapitalisme zonder democratie, want meestal heeft het leger de macht overgenomen omdat de burgerbestuurders in hun ogen incompetent of te veel links zijn georiënteerd. De afzetting van Salvador Allende in Chili door generaal Pinochet is daarvan een goed voorbeeld. Met steun van de Verenigde Staten werden deze staatsgrepen gepland en uitgevoerd. Men sprak dan ook wel over Zuid Amerika als de achtertuin van de Verenigde Staten die daar hun belangen wilden veilig stellen.

Het is ook de periode van de zogenaamde Bevrijdingstheologie in Zuid Amerika. Deze theologie geïnspireerd op een kritische lezing van de bijbel en op socialistische en marxistische literatuur roept het volk op tot een concrete bevrijding van de onderdrukkende structuren. Er ontstaan overal lekenkaders en groeperingen die gaarkeukens opzetten, onderwijs mogelijk maken voor de allerarmsten en gezondheidszorg. Ook worden er protesten georganiseerd tegen grootgrondbezitters, tegen uitbuiting in de fabrieken, te lage lonen, kortom alles waardoor de armere delen van de bevolking de dupe worden van het economische systeem.

Deze beweging vanuit de kerken roept vanzelfsprekend verzet op bij degenen die aan de touwtjes trekken en die daarin exact bevestigd zien wat ze met hun doctrine beweren. Lekenkaders worden vervolgd, verboden, opgeheven, priesters gearresteerd, gemarteld en soms vermoord. Ook vrouwelijke religieuzen vallen als slachtoffer. De Romeinse Curie laat niets van zich horen. Pas veel later zullen er kritische teksten tegen deze bevrijdingstheologie worden gepubliceerd en krijgen een aantal priesters een spreek - en leerverbod opgelegd. De kerkelijke overheid staat voor een deel achter de repressie want ze protesteert niet. Zo is het in veel landen, binnen de kerken ontstaat een scheiding der geesten van hen die het regiem ondersteunen en hen die het bestrijden. [clxiv]

In Latijns Amerika speelden de Verenigde Staten een dubieuze rol bij de opleiding van de militairen. ‘The School of the America’s’, opgezet door de Amerikanen, een van de opleidingsinstituten voor het militair kader in (Noord en) Zuid-Amerika, is vaak in het nieuws geweest omdat potentiële kandidaten de techniek van de ondervragen (respectievelijk martelen) is bijgebracht als onderdeel van de opleiding. Veel latere dictators van Latijns Amerikaanse landen hebben er hun opleiding genoten. Op internet is heel veel informatie over deze school te vinden. De combinatie van De doctrine van de Nationale Veiligheid en de concrete uitwerking ervan in een beleidsplan en martelpraktijk laten zien dat de verantwoordelijke politici en militairen ervan uitgaan dat zij hun doelen kunnen bereiken via het lichaam van de gevangenen.[clxv] Zij vestigen hun macht en proberen die in stand te houden door het lichaam van de tegenstander te vernietigen. Het maakt onderdeel uit van hun oorlogsstrategie met eigen burgers als slachtoffers. Cornelis Verhoeven heeft in een ander werk met de titel “Tegen het geweld”  de mechanismen van de gewelduitoefening en de vooronderstellingen onderzocht. Het voert echter te ver om deze filosofische gedachten nader te volgen omdat ze vooral het fenomeen geweld beschrijven. Dat zelfde geldt ook voor zijn boek dat hiermee verband houdt en dat het begrip vooruitgang en de impliciete verlangens die achter dit begrip schuilen actualiseert en bekritiseert “Omzien naar het heden. De mythe van de vooruitgang.”[clxvi]  

 

Het lichaam en de pijn 

 

Een auteur die ditzelfde verlangen naar vooruitgang onderzoekt in de werkelijkheid van het martelen is Elaine Scarry. Zij beschrijft in haar boek “The Body in Pain. The Making and Unmaking of the World”[clxvii] hoe marteling en oorlog bijdragen aan de deconstructie en vernietiging van de wereld van de gevangenen.  Ze start hierbij bij het begrip fysieke pijn. Over deze pijn en de onmogelijkheid om deze pijn te communiceren via de taal schrijft ze:

“Whatever pain achieves, it achieves in part through its unsharability, and it ensures this unsharability through its resistance to language...Physical pain does not simply resist language but actively destroys it, bringing about an immediate reversion to a state anterior to language, to the sounds and cries a human being makes before language is learned.”[clxviii]

Fysieke pijn heeft in tegenstelling tot psychische pijn geen object waar ze zich op richt zoals je gevoelens voor iemand kunt hebben. Daarom verzet deze pijn zich volgens Scary tegen de objectivering in de taal.[clxix] Haar stelling luidt dat de echte pijn van het slachtoffer tijdens het martelen wordt omgezet in de fictie van macht aan de kant van de ondervrager. Martelen maakt de pijn zichtbaar in de gefolterde maar voor de beul is dat vooral ook een bewijs van zijn macht. “What assists the conversion of absolute pain into the fiction of absolute power is an obsessive, self-conscious display of agency. On the simplest level, the agent displayed is the weapon.”[clxx]

Deze confrontatie met het wapen waarmee gemarteld of gedood wordt maakt indruk op de gevangene. Scarry stelt dat de beulen elk element uit deze context gebruiken tot en met de ruimte zelf waar gemarteld wordt, ruimtes die soms namen krijgt als ‘productiekamer’ of ‘bioscoop’, om de indruk van macht te wekken. Bekend is in dit verband de Tuol-Sleng gevangenis in Cambodja onder het bewind van Pol Pot waar van elke gevangene foto’s werden gemaakt. Zo ontstond een collectie van afbeeldingen van verdoemden,  een fotoalbum dat de verwijzing naar het lijden van een heel volk heeft vastgelegd. De ruimte waar gemarteld wordt is meestal kaal en leeg, zonder ramen zodat geen enkel element herinnert aan de wereld buiten. Op die wijze wordt ook de wereld van de gevangene ingeperkt. Zichtbaar zijn alleen de attributen waarmee gemarteld wordt: de bedspiraal die onder stroom kan worden gezet, de touwen en balken om iemand op te hangen in een onnatuurlijke staat, de slagwapens, kortom alles waarmee de gevangene pijn kan worden gedaan. 

In de folterpraktijk gaat de pijn vergezeld door een vraag. De vraag staat dus aan de kant van degene die het geweld uitoefent. De vraag is deel van het geweld, deel van het wapen. De vraag is uit op bevestiging, op bevestiging van het oordeel van de beul dat al vast staat en waarmee de gevangene is geclassificeerd als potentiële vijand. De vraag is daarmee ook niet uit op waarheid, want die staat al vast. De vraag is van belang voor de beul. De vraag onttrekt de beul aan kritische zelfreflectie. De vraag is zijn legitimatie. Door de vraag wordt het lijden dat hij veroorzaakt onzichtbaar als lijden. Het is slechts de pijn van het slachtoffer, verdiende pijn, verdiend lijden.

Intense pijn is wereld-vernietigend, zegt Scary; “In compelling confession, the tortures compel the prisoner to record and objectify the fact that intense pain is world-destroying. It is for this reason that while the content of the prisoner’s answer is only sometimes important to the regime, the form of the answer, the fact of his answering, is always crucial.”[clxxi]

Het gevoel dat soms overheerst bij een bekentenis die door de buitenwereld gezien wordt als vorm van verraad miskent deze ontoegankelijkheid van fysieke pijn zeker als je het zelf niet ervaart.[clxxii] De marteling verstoort doelbewust de waarneming van de werkelijkheid van de gevangene. De fysieke pijn verstoort de band met de wereld, de wereld blijft buiten. Scarry schrijft over deze kracht van fysieke pijn en het effect ervan: “Physical pain is able to obliterate psychological pain because it obliterates all psychological content, painful, pleasurable, and neutral. Our recognition of its power to end madness is one of the ways in which, knowingly or unknowingly, we acknowledge its power to end all aspects of self and world. Another manifestation of his power is its continual reappearance in religious experience. The self-flagellation of the religious ascetic, for example, is not (as often is asserted) an act of denying the body, eliminating its claims for attention, but a way of so emphasizing the body that the contents of the world are cancelled and the path is clear for the entry to an unworldly, contentless force.”[clxxiii]  

Scarry noemt een aantal factoren waarmee de foltering afwijkt van zelf toegebrachte pijn in een religieus of andersoortig ritueel. Het verschil bestaat in de duur ervan, de controle erover en het doel ervan. Het is de intensieve pijn die de wereld en het zelf van de persoon vernietigt “ a destruction experienced spatially as either the contraction of the universe down to the immediate vicinity of the body or as the body swelling to fill the entire universe. Intense pain is also language-destroying: as the content of one’s world disintegrates; as the self disintegrates, so that which would express and project the self is robbed of its source and its subject.”[clxxiv]

Vraag en antwoord spelen in dit proces een typische rol waardoor de morele werkelijkheid op zijn kop wordt gezet. De vraag is de morele rechtvaardiging voor de beul, het antwoord brengt bij de gevangene een verlies van zelf en wereld teweeg omdat hij zichzelf kan verachten als verrader. Beiden zijn verdraaiingen van de werkelijkheid.[clxxv] De werkelijkheid die tussen deze twee werelden ligt van vraag en antwoord komt ook terug in de werkelijkheid van de situatie waarin beul en slachtoffer zich bevinden - hoe dicht ze bij elkaar staan, de (onzichtbare) afstand is kolossaal. De beul identificeert zich niet met zijn slachtoffer, er is geen menselijke herkenning aldus Scarry. De folteraar wil zijn wereld bewijzen met zijn daden, hij breidt zijn zelf en zijn wereld uit door het toedienen van pijn en het kleiner maken van de wereld en het zelf van het slachtoffer. “It is only the prisoner’s steadily shrinking ground that wins for the torturer his swelling sense of territory. the question and the answer are a prolonged comparative display, an unfurling of world maps.”[clxxvi] 

Martelen is zulk een extreme gebeurtenis dat het ongepast lijkt om deze gebeurtenis te generaliseren aldus Scarry. Toch is er een noodzaak om ook deze absolute pijn ter sprake te brengen. Eenzelfde moeilijkheid om te communiceren treffen wij aan bij gevangenen die marteling ondergaan hebben of die opgesloten hebben gezeten in een concentratiekamp onder onmenselijke omstandigheden. Zij hebben geen taal die dit soort ervaringen kan bemiddelen omdat de mensen die het niet hebben meegemaakt geen kader hebben waarin ze de verhalen kunnen plaatsen. De ervaringen en de effecten daarvan zijn te gruwelijk.[clxxvii] Scarry analyseert de situatie van de oorlog waarin martelingen plaatsvinden als onderdeel van de strategie. Daarbij wordt in dit licht de uitspraak: “ to kill, to die, for my country” geanalyseerd op zijn betekenis.[clxxviii] Zij laat zien dat de structuur van marteling en van oorlog geperverteerde manieren van schepping, van constructie zijn, die ook aan de basis liggen van onze maatschappij en onze wereldbeelden. Zij legt een verband tussen de ervaring van pijn lijden en het voorstellingsvermogen van de mens en zij benoemt de relatie tussen de structuur van het geloven en de vormgeving ervan in een materiële wereld. Dat doet zij via een beschrijving van het lichaam en de stem in de Joods-Christelijke geschriften en de teksten van Karl Marx. In grote lijnen zit zij op een zelfde golflengte als Cornelis Verhoeven die martelen beschrijft als een gelijkmaken, folteren om een ideaal van een nieuwe wereld te verwezenlijken door alle obstructies te vernietigen. Scarry werkt dit alleen verder uit richting religie en de interne structuur van het kunstproduct - de rol van het geloof in het maken van dingen en het scheppen van de wereld. Ik ga hier niet verder op in omdat hier nieuwe thema’s worden aangesneden die in dit verband te ver voeren.  

Vasili Grossman een Russische auteur brengt een andere situatie ter sprake in het boek “Leven & lot” waar een gevangene wordt ondervraagd. Dat gebeurt in de context van het toenmalige Rusland onder Stalin midden in de Tweede Wereldoorlog.[clxxix]  De ondervraagde wordt op het einde van het gesprek routinematig in elkaar geslagen. Het hoort bij het mechanisme van de ondervraging. De toon van het gesprek, de wijze waarop de gevangene wordt benaderd, maken duidelijk dat ook deze gevangene al bij voorbaat is veroordeeld want zijn antecedenten liggen vast in een boek.[clxxx] Waarschijnlijk heeft iemand hem aangegeven of is hij verraden. Daartegen kan hij zich niet verweren. Vertwijfeld gaat hij in zijn herinnering na wat hij misschien verkeerd heeft gedaan of heeft gezegd. Hij kan echter niets vinden. Maar omdat hij in het boek staat is hij veroordeeld. Ook dit is een voorbeeld van het wereldbeeld van de machthebber (en dat is relatief, want morgen kan deze vertegenwoordiger worden veroordeeld, gedood of naar een kamp in Siberië worden gestuurd) die zijn gevangene bij voorbaat heeft veroordeeld want getuigen (waar of vals) hebben een bewijs, dat wil zeggen een verklaring afgelegd. In een maatschappij waar iedereen verdacht kan worden gemaakt is niemand zeker. Dat ondergraaft elk vertrouwen in de medemens en in de overheid.[clxxxi]  

Het martelen als methode behoort nog niet tot het verleden. Ook in onze huidige geschiedenis worden hedendaagse vormen van marteling ingezet bij de arrestatie van gevangenen in Afghanistan en Pakistan omdat zij leden van de Talibaan zijn of van Al Qaida. Na de aanslag op 11 september 2001 op de Twin Towers in New York is de discussie losgebarsten hoever je moet gaan met de ondervraging van gevangenen terroristen om een mogelijke aanslag te voorkomen. Het nationale probleem van interne tegenstanders is een internationaal probleem geworden waarin veel partijen meespelen. Door deze ontwikkelingen wordt ook het gevoel gecommuniceerd dat aanslagen overal gepleegd kunnen worden op de wereld en dat niemand meer veilig is. De Islamitische wereld is tot nu toe zelf het grootste slachtoffer van aanslagen. Dat laten ook de cijfers zien in Irak waar tot nu toe de meeste doden zijn gevallen. 

 

“Es gibt keine verlorenen Paradiese.

Das Paradies ist etwas, das man jeden Tag verliert,

wie jeden Tag das Leben,

die Ewigkeit und die Liebe verlorengehen.

 

So verlieren wir auch das Alter,

das zu wachsen schien

und dennoch täglich geringer wird,

weil die Rechnung umgekehrt ist.

Oder man verliert so die Farbe von allem Vorhandenen,

herabsteigend wie ein dressiertes Tier,

Stufe für Stufe,

bis wir ohne Farbe bleiben.

 

Und da wir außerdem wissen,

dass es auch keine zukünftige Paradiese gibt,

bleibt uns dann kein anderer Ausweg,

als das Paradies zu sein.”

Roberto Juarroz - Vertikale Poesie[clxxxii]

 

 

 


3.4. De wereld als gevangenis

 

 

“Zeit

 

für Ola Orozco

 

 

Ich erinnere nichts von der Kindheit,

nur eine leuchtende Angst

und eine Hand,

die mich an mein anderes Ufer zieht.

 

Meine Kindheit und ihr Geruch

eines gestreichelten Vogels.”

Alejandra Pizarnik[clxxxiii]

 

 

In alle bovengenoemde situaties zijn de uiterlijke omstandigheden zodanig dat het opgesloten zitten en gemarteld, respectievelijk vernietigd worden hun stempel drukken op de leefwereld van de gevangene. Ze zijn terecht gekomen in een of meerdere extreme heterotopiën die in de wereld buiten hen bestaan. Zelfbeeld en wereldbeeld worden hierdoor gekenmerkt: een strijd om te overleven, om in een onmogelijke situatie het proberen vol te houden.

In de psychopathologie beleeft de zieke mens zijn (leef)wereld als gevangenis. Niet omdat de uiterlijke omstandigheden hem objectief die indruk geven maar omdat zijn beeld van de wereld en zijn zelfbeeld zodanig gekleurd zijn dat het gevoel ontstaat gevangen te zijn binnen de eigen psyche en het eigen lichaam. Je zou kunnen spreken van een innerlijke heterotopie, die voor de geest vervreemdend werkt, (niet meer thuis bij zichzelf, in zijn lichaam en niet meer thuis in de wereld) en die vooral een gevolg kan zijn van naar binnen geslagen onverwerkte en traumatische ervaringen. Depressie is door een auteur die het zelf meemaakt heeft omschreven als het gevoel dat je als een boom voortdurend afgekneld wordt door de klimop die ertegenaan groeit.[clxxxiv] Als boom kun je hier niets aan veranderen, je hebt geen middelen om meer ruimte te scheppen voor jezelf. Dat is een uitzichtloze situatie. Zo zijn er tal van andere ervaringen waarin de wereld als gevangenis wordt beleefd. De mens die opgesloten zit in zijn lichaam dat volgens hem niet bij hem past omdat hij het gevoel heeft van het andere geslacht te zijn is ook zo’n ervaring. Zich afgewezen voelen vanwege het eigen lichaam en de lichamelijke uitstraling ervan (o.a. via het uiterlijk) is een ander voorbeeld. Daarbij moet worden aangetekend dat het lichaam zelf als deel van het zelf een “objectief” gegeven is waar in eerste instantie niet zoveel aan valt te veranderen.[clxxxv] Een mens wordt nu (tenminste tot nu toe) als het ware in zijn lichaam “hinein” geboren en (nog) niet in een artificieel lichaam gedownload. Op een bepaald moment in de ontwikkeling treft hij zich aan in zijn lichaam en leert hij zich daartoe verhouden. De beleving van dat lichaam en de wijze waarop gereageerd wordt ligt weer bij het zelf dat het met dit lichaam “moet doen.”[clxxxvi] Ik wil hier kort bij stilstaan door een aantal punten aan te stippen.

 

 

A. Vlucht uit de wereld

 

 

“Schwermut ist in dem Sinne Wahnsinn wie das Parfum ein abnormer Zustand”

Cioran[clxxxvii]

 

 

Vluchten uit de gevangenis die wereld heet kan op een aantal manieren. Misschien is schizofrenie wel een ervan. Psychische ziekten zijn er in soorten en maten. Ontkenning, sublimatie, vlucht in fantasiewerelden[clxxxviii], zich terugtrekken op een klein geestelijk aandachtsgebied, overdrijving, angsten en fobieën, het kunnen allemaal vormen zijn van een zelf dat de grenzen van zin wereld niet meer kan bewaken en dat dreigt overspoeld te raken met indrukken van buiten zijn belevingswereld die het geen plaats kan geven binnen een ‘gezond’ dat wil zeggen, evenwichtig, zelfverstaan. Of indrukken van binnen uit maken zo’n indruk op de persoon dat hij zijn gedachten niet meer in de hand kan houden en het lijkt alsof deze met hem op de loop gaan.

Vluchten uit de wereld wil zeggen de ankerpunten die er misschien eerst waren in de omgang met de werkelijkheid en de opgedane ervaringen, nu zijn gaan ontbreken zodat de persoon een vorm van stuurloosheid, een vorm van ‘los-geslagenheid’ kan ervaren.[clxxxix] Er is nergens (meer) houvast, er is  niets om op terug te vallen, er is geen oplossing in zicht. Strijd heeft geen zin want waarvoor zou ik strijden. Welke doelen zouden er zijn en welke doelen zouden de moeite waard zijn om voor te vechten.  

 

Depressie

 

Andrew Solomon die vanuit eigen ervaring een indrukwekkend boek geschreven heeft over depressie vertelt hierover in “Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie”. Hij schrijft:

“Depressie is de zwakke plek in de liefde. Om liefhebbende mensen te kunnen zijn moeten we mensen zijn die kunnen wanhopen om wat we verliezen, en depressie is het mechanisme van die wanhoop. Als de depressie komt, valt je zelf uiteen en zal uiteindelijk je vermogen om liefde te geven of te ontvangen worden weggenomen. Ons alleen zijn binnen in onszelf wordt overduidelijk, en we raken niet alleen de band met anderen kwijt, maar ook het vermogen om in vrede met onszelf alleen te zijn. Hoewel liefde geen voorbehoedmiddel tegen depressie is, is ze wél iets dat de geest in de watten legt en tegen zichzelf beschermt. Medicijnen en psychotherapie kunnen die bescherming vernieuwen, en maken het gemakkelijker lief te hebben en je te laten liefhebben, en dat is de reden waarop hun werkzaamheid berust. Opgewekte mensen zullen zichzelf liefhebben, of anderen, of hun werk, of God; al die passies kunnen voorzien in dat vitale gevoel van doelgerichtheid dat het tegendeel van depressie is. Liefde laat ons van tijd tot tijd in de steek, en wij laten de liefde in de steek. Bij een depressie zal de zinloosheid van elke onderneming en van elke emotie, de zinloosheid van het leven zelf, overduidelijk worden. Het enige gevoel dat in die liefdeloze toestand overblijft, is onbeduidendheid.

Het leven zit volverdriet: wat we ook doen, uiteindelijk zullen we sterven; we zitten stuk voor stuk vast in de eenzaamheid van een autonoom lichaam; de tijd verstrijkt, en wat geweest is, zal nooit meer zijn. Pijn is de eerste ervaring van hulpeloosheid in de wereld, en dat gevoel zal ons nooit verlaten. We zijn boos omdat we uit de aangename baarmoeder zijn gerukt, en zodra die boosheid wegebt, wordt die plaats ingenomen door verdriet. Zelfs mensen met een geloof dat hun belooft dat dit alles anders zal zijn in de andere wereld, kunnen er niet omheen verdriet te voelen in deze wereld; Christus zelf was de man van smarten. We leven echter in een tijd met steeds meer pijnstillende middelen; het is gemakkelijker dan ooit tevoren te beslissen wat we willen voelen en wat we niet willen voelen. Er zijn steeds minder onaangedane dingen die onvermijdelijk zijn in het leven, voor de mensen die over de middelen beschikken om ze te vermijden. Maar ondanks de  enthousiaste beweringen van de farmaceutische wetenschap kan depressie niet worden uitgeroeid zolang wij wezens zijn die zich bewust zijn van zichzelf.  Depressie kan in het gunstigste geval onder controle gehouden worden – en controle is het enige waarnaar men streeft in alle huidige behandelwijzen van depressie.”[cxc]

Solomon beschrijft depressie als een opeenhoping van pijn, emotionele pijn. Die pijn gaat een eigen leven lijden omdat ze niet geuit kan worden, omdat er geen (creatieve) mogelijkheden worden ingezet om de pijn ter sprake te brengen. Of omdat het spreken over de pijn al als zinloos wordt beschouwd omdat er toch niets meer aan te doen is. De persoon heeft al het idee dat hij niet meer te helpen is en dat ook niemand meer kan helpen. Deze emotionele eilandsituatie, zich afgesloten voelen van de rest van de wereld, de rest van de mensen, kan door de persoon ik kwestie meestal niet worden doorbroken want er zijn geen bootjes meer die hem naar het vasteland kunnen brengen. Solomon hierover:

“Misschien kan depressie het best beschreven worden als emotionele pijn die zich tegen onze wil aan ons opdringt, en dan losbreekt van zijn uiterlijkheden. Depressie is niet alleen maar een grote hoeveelheid pijn; een teveel aan pijn echter kan gaan composteren tot een depressie. Verdriet is een depressie in verhouding tot de omstandigheden; een depressie is verdriet buiten verhouding tot de omstandigheden. De smart is een soort prairie-onkruid dat leeft van ijle lucht en groeit ondanks het feit dat het is losgeraakt van de voedende aarde. Depressie kan alleen met metaforen en allegorieën beschreven worden. Toen aan Sint-Antonius in de woestijn gevraagd werd hoe hij onderscheid kon maken tussen de engelen die nederig aan hem verschenen, en duivels die in weelderige vermomming optraden, zei hij dat je het kon nagaan aan de manier waarop je je voelde nadat ze waren weggegaan. Wanneer een engel je verliet, voelde je je gesterkt door zijn aanwezigheid; wanneer een duivel vertrok, voelde je ontzetting.  Verdriet is een nederige engel die je achterlaat met sterke, heldere gedachten en gevoel voor je eigen diepgang. Depressie is een demon die je in doodsangst achter laat.”[cxci]

In de depressie laat het leven zijn masker vallen, zou je kunnen zeggen en wordt het gelaat herkenbaar van de dood die zich achter elke vorm van leven verschuilt. Middeleeuwse schilderijen gebruiken dit thema vaak. “Mens gedenk dat je sterfelijk bent!” Carlos Castaneda schrijft in een van zijn boeken over de lessen van Don Juan dat je nooit plotseling over je linker schouder moet kijken, want dan kun je oog in oog komen te staan met de dood die met je mee reist.”[cxcii] Het gaat er niet om of deze uitspraak letterlijk waar is, maar om het feit dat de dood een stille compagnon is die met ons meereist en die altijd als laatste op ons zal wachten als ons leven ten einde loopt.

Ik spreek hier ook in metaforen over de dood want de gestalte van de dood als fenomeen is bron geweest voor talloze (fantasievolle) uitbeeldingen. De dood kunnen we aanschouwen als hij heeft plaatsgevonden. We zien het resultaat, het lichaam dat overblijft, het corpus. De dood zelf is een “Verdichtung”  zou je kunnen zeggen van dit stervensproces en het resultaat ervan. Ik zie de dood meer als een deur.[cxciii] Een doorgang tussen leven en niet-leven. Misschien is daarom de depressie wel zo moedeloos makend omdat “Ein Hauch von Tod” de kamer binnenwaait. Solomon zegt, ik citeer hem wat uitgebreider omdat hij ervaringsdeskundige is:

“Een zware depressie - dat is de oorzaak van zenuwinstortingen. Als men zich bij een lichte depressie een ziel van ijzer voorstelt die verweert van verdriet en wegroest, dan is een zware depressie de verrassende instorting van een compleet bouwwerk. Er bestaan twee modellen van een depressie: de dimensionale en de categorale. De dimensionale gaat ervan uit dat depressie op één lijn staat met treurigheid en een extreme versie is van iets wat iedereen wel eens gevoeld en gekend heeft. De categorale beschrijft depressie als een ziekte die totaal los staat van andere emoties, ongeveer zoals een door een virus veroorzaakte maagkwaal totaal verschilt van indigestie door overtollig maagzuur. Beide bestaan. Je volgt het geleidelijke pad of de plotselinge emotionele reactie, en dan kom je ergens terecht waar het echt allemaal anders is. Het kost tijd voordat een roestend, met ijzer geconstrueerd bouwwerk instort, maar de roest is ononderbroken bezig het ijzer te verpulveren, en dat wordt dunner en verliest zijn kracht. De instorting kan heel plotseling lijken, maar in werkelijkheid is het een cumulatief gevolg van ondergraving. Niettemin is het een hoogst ingrijpende en duidelijk afwijkende gebeurtenis. Het duurt een hele tijd van de eerste regenbui tot aan het punt dat de roest zich door een ijzeren balk heen heeft gevreten. Soms bevindt die roest zich op zulke belangrijke punten dat de instorting compleet lijkt, maar vaker komt een gedeeltelijke instorting voor: het ene deel stort in, daarbij loopt het andere schade op, en het evenwicht wordt op dramatische wijze verstoord.

Het is geen aangename ervaring, verval- als je merkt dat je blootstaat aan de verwoestingen van een bijna dagelijkse regen, en weet dat je verandert in iets wat zwak is, iets wat steeds meer van jezelf zal wegwaaien bij de eerste de beste windvlaag, zodat je aanhoudend minder wordt. Sommige mensen vergaren meer emotionele roest dan anderen. Depressie begint heel banaal, dagen krijgen een saaie kleur, gewone handelingen verzwakken totdat hun duidelijke vormen onzichtbaar worden door de inspanning die ze vereisen, en je blijft vermoeid achter, en verveeld en bezeten van jezelf - maar daar valt allemaal nog doorheen te komen. Misschien niet op een vrolijke manier, maar er valt doorheen te komen. Niemand heeft ooit een definitie kunnen geven van het instortingspunt dat de zware depressie kenmerkt, maar als je daar eenmaal bent, dan is dat overduidelijk.

Een zware depressie is een geboorte en een sterven: het is zowel de nieuwe aanwezigheid van iets, als het totale verdwijnen van iets. Geboorte en dood verlopen geleidelijk, al kunnen officiële documenten proberen de natuurwetten vast te leggen door middel van categorieën als 'officieel dood' en geboortetijd'. Ondanks de grillen van de natuur is er duidelijk een punt waarop een baby die niet op de wereld was, daar aankomt, evenals een punt waarop een bejaarde die op de wereld was, daar niet meer is. Inderdaad is er een fase waarin het hoofd van de baby al op aarde is, maar zijn lichaam nog niet; dat het kind fysiek aan zijn moeder vastzit tot de navelstreng is doorgeknipt. Inderdaad kan de bejaarde al enkele uren voor zijn dood de ogen gesloten hebben, en er is een fase tussen het moment waarop hij is opgehouden met ademhalen en het moment waarop hij 'hersendood' wordt verklaard. Een patiënt kan zeggen dat hij enkele maanden aan een zware depressie heeft geleden, maar dan past men tijdmeting toe op het onmeetbare. Het enige wat men met zekerheid kan zeggen is dat men een zware depressie heeft gehad, en dat men die op een bepaald moment in het heden voelt dan wel niet voelt.

De geboorte en dood waaruit een depressie bestaat, doen zich tegelijkertijd voor. Niet lang geleden kwam ik terug in een bos waar ik als kind had gespeeld, en daar zag ik een eik, honderd jaar lang een waardige boom, in de schaduw waarvan mijn broer en ik hadden gespeeld. Twintig jaar later had een enorme klimopplant deze zelfverzekerde boom omklemd en hem bijna gesmoord. Het was moeilijk na te gaan waar de boom ophield en de klimop begon. De klimplant had zich zo volkomen rond de takken gekronkeld dat zijn bladeren uit de verte de boombladeren leken te zijn; pas van dichtbij kon je zien hoe weinig levende eikentakken er nog waren, en hoe een paar wanhopige levende eikentakjes als een rij duimen uit de enorme stam staken, met blaadjes die doorgingen met de fotosynthese, op de domme manier van de mechanische biologie.

Omdat ik net was opgedoken uit een zware depressie waarin ik nauwelijks in staat was geweest te denken aan problemen van andere mensen, leed ik mee met die boom. Mijn depressie was om mij heen gegroeid zoals die klimop die eik had ingenomen; mijn aandoening was een zuigend ding geweest dat zich om me heen had gewikkeld, lelijk, en meer levend dan ik. Mijn depressie had een eigen leven geleid, en dat had beetje bij beetje mijn eigen leven compleet gesmoord. In de ergste fase van die zware depressie had ik gevoelens waarvan ik weet dat het niet mijn gevoelens waren: ze waren van de depressie, precies zoals die bladeren aan de hoge takken van de boom bij het klimop hoorden. Toen ik daar helder over probeerde na te denken, had ik het gevoel dat mijn geest ingemetseld zat, dat mijn denken zich in geen enkele richting kon bewegen. Ik wist dat de zon op- en onderging, maar weinig zonlicht drong tot me door. Ik voelde hoe ik inzakte onder iets wat veel sterker was dan ik; eerst kon ik mijn enkels niet meer gebruiken, toen had ik geen controle meer over mijn knieën, en vervolgens begon mijn middel te breken onder de spanning; toen zakten mijn schouders naar voren, en ten slotte was ik gekromd als een foetus, leeggezogen door dat ding dat me verbrijzelde zonder me te omhelzen. Zijn uitlopers dreigden mijn denken en mijn moed en mijn maag te verpulveren, en mijn botten te breken en mijn lichaam uit te drogen. Het bleef zich aan mij volstoppen, ook toen er niets meer te eten leek.

Ik was niet sterk genoeg om te stoppen met ademhalen. Ik wist toen dat ik die klimop van de depressie nooit zou kunnen doden, dus wenste ik alleen maar dat het ding me liet sterven. Maar het had me beroofd van de energie die ik had moeten hebben om mezelf te doden, en het weigerde mij te doden. Als mijn stam wegrotte, dan was dat ding dat zich ermee voedde, nu te krachtig om hem te laten omvallen; het was een extra steun geworden voor wat het had vernietigd. In een hoekje van mijn bed weggekropen, gespleten en gemarteld door dat ding dat niemand anders leek te kunnen zien, bad ik tot een God in wie ik nooit zo had geloofd, en smeekte om verlossing. Ik zou met vreugde de pijnlijkste dood zijn gestorven, hoewel ik te mat, te lethargisch was om zelfs maar te denken aan zelfmoord. Elke seconde dat ik leefde, deed me pijn. Omdat dat ding alle vocht uit me had verwijderd, kon ik niet eens huilen. Ook mijn mond was kurkdroog. Ik had gedacht: als je je op je allerslechtst voelde, zouden je tranen rijkelijk vloeien, maar de allerergste pijn is de dorre pijn van totale verstoring die komt nadat alle tranen zijn opgebruikt, een pijn die elke opening afsluit waarmee je ooit de wereld had gecontroleerd, of de wereld jou onder controle had gehouden. Zo is de aanwezigheid van een zware depressie.

Ik zei dat depressie zowel een geboorte als een dood is. De klimop is wat geboren wordt. De dood is je eigen verval, het knakken van de takken die die ellende torsen. Het eerste dat verdwijnt is het voelen van geluk. Je kunt nergens vreugde aan ontlenen. Dat is, naar algemeen bekend is, het belangrijkste symptoom van een zware depressie. Algauw echter wordt de verdwijning van het geluksgevoel gevolgd door andere emoties: treurigheid die je eerder had gekend, de treurigheid die je hierheen geleid leek te hebben; je gevoel voor humor; je geloof in en vermogen tot liefde. Je denken wordt uitgeloogd tot je zelfs voor je eigen gevoel onbenullig bent. Als je haar altijd al dun was geweest, lijkt het nu nog dunner; als je altijd huidproblemen hebt gehad, dan worden ze nu erger. Je ruikt onaangenaam, zelfs voor je eigen gevoel. Je raakt het vermogen kwijt om wie dan ook te vertrouwen, je wilt niet meer aangeraakt worden, je kunt niet meer rouwen. Uiteindelijk ben je eenvoudigweg afwezig uit jezelf.

Misschien neemt het aanwezige datgene in wat afwezig raakt, en misschien onthult de afwezigheid van vertroebelende zaken datgene wat aanwezig is. Op beide manieren ben je minder dan jezelf en bevind je je in de greep van iets anders. Maar al te vaak concentreren de behandelingen zich slechts op de helft van het probleem: ze richten zich alleen op de aanwezigheid, of alleen op de afwezigheid. Het is noodzakelijk zowel die extra duizenden ponden klimop te verwijderen als een nieuw wortelsysteem te leren, evenals de technieken van de fotosynthese. Therapie met medicijnen hakt door de klimop heen. Je voelt hoe het gebeurt, hoe de medicatie de parasiet lijkt te vergiftigen zodat hij beetje bij beetje verwelkt. Je voelt hoe de last lichter wordt, hoe de takken veel van hun natuurlijke kracht terug krijgen. Voordat je de klimop hebt verwijderd, kun je niet denken aan wat er verloren is gegaan. Zelfs wanneer de klimop geheel is verdwenen, kun je echter achterblijven met slechts enkele blaadjes en ondiepe wortels, en wederopbouw van je zelf is onmogelijk met de medicijnen die tot dusver bestaan. Wanneer de last van de klimop is verdwenen, worden blaadjes hier en daar aan het boomskelet levensvatbaar - ze nemen essentiële voedingsstoffen op. Maar dat is geen goede manier van bestaan. Geen krachtige manier van bestaan. Voor de reconstructie van het zelf tijdens en na de depressie is liefde nodig, inzicht, arbeid en bovenal tijd.”[cxciv]

Depressie als ruimte en tijdservaring - als een doorgangstijd - vaak achteraf pas helder - kan dus beschreven worden als een vorm van extreme heterotopie waarin het zelf de weg kwijt is en waarin het zelf die weg ook niet meer kan terugvinden als anderen hem daarbij niet helpen en ondersteunen.  

 

Zelfverlies 

 

Solomon beschrijft de depressie als een verlies van jezelf. Het zelf is door “verstikking” als het ware al bijna gestorven, doodgedrukt. Over blijft een leegte, een niets. Hij spreekt uit eigen ervaring.[cxcv] Het is moeilijk communiceren als je alleen in metaforen kunt spreken en iedereen verwoordt zijn gevoel op een eigen wijze. Hij stelt ook dat we niet echt weten waar depressie vandaan komt. Het kan vele oorzaken hebben. Solomon geeft zelf een opsomming van mogelijke oorzaken:

“Het heeft er alle schijn van dat depressie bestaat zolang de mens in staat is tot bewust denken. Het is zelfs mogelijk dat depressie al vóór die tijd heeft bestaan, dat apen en ratten en misschien zelfs inktvissen eraan leden voordat die eerste mensachtigen uit hun holen kwamen. Het staat vast dat de leer der ziekteverschijnselen van onze tijd min of meer identiek is aan wat Hippocrates zo'n vijfentwintighonderd jaar geleden heeft beschreven. Depressie noch huidkanker is een creatie van de eenentwintigste eeuw. Depressie is, net als huidkanker, een lichamelijke aandoening die om tamelijk  specifieke redenen in recente tijden geëscaleerd is. Laten we niet te lang de duidelijke boodschap van toenemende problemen blijven negeren. Gevoeligheden die in een vroeger tijdperk niet op te sporen waren, groeien nu uit tot regelrechte klinische ziekte. We moeten niet alleen de acute oplossingen voor onze actuele problemen gebruiken, maar ook proberen die problemen onder controle te houden en vermijden dat ze ons denken geheel in beslag nemen. Het toenemend aantal depressieve patiënten is ontegenzeggelijk het gevolg van de moderne tijd. Het tempo van het leven, de technologische chaos, de vervreemding van mensen van elkaar, de ondergang van traditionele gezinsstructuren, de eenzaamheid, die endemisch is, de instorting van geloofssystemen (van religieuze, morele, politieke, sociale aard - alle dingen die ooit zin en richting aan het leven leken te geven) -het is allemaal catastrofaal geweest.”[cxcvi] Ook Frits de Lange wijst in een artikel in Trouw in die richting.[cxcvii] Depressie als prijs voor de maatschappij waarin we leven, we moeten van onszelf van alles en we meten ons aan het succes van anderen. Dat is niet vol te houden want het is nooit genoeg en nooit perfect. De Lange zegt:

“Achter de liberale flirt met de ondernemer als rolmodel, die sinds begin jaren negentig opgeld doet, ligt de oermythe van de moderne cultuur: het Zelf dat uit het Niets zichzelf tot een soeverein individu schept. Friedrich Nietzsche was de eerste die daar werk van maakte en de mythe tot het einde toe doordacht. In zijn filosofie riep hij het individu op om zichzelf de soevereiniteit toe te kennen die ooit aan God of aan de koning toekwam. Dat is pas echte autonomie, vond hij: niet alleen zelf kiezen aan welke wetten je je wilt onderwerpen (zoals Immanuel Kant nog halfslachtig had gedaan), maar je eigen levensregel uitvinden, je eigen Tien Geboden. De wet wordt je dan niet meer gesteld door God of de staat, en zelfs niet door de mensheid in jou. Volstrekte vrijheid is: je eigen waarden willen en kunnen uitvinden.

Dat moderne oerverhaal verleent een enorme dynamiek aan de ideale persoonlijkheid. Niet de Rede maar de Wil wordt dominant. Wie zichzelf schept, is immers nog niet klaar met zichzelf. Hij is zijn eigen transcendentie geworden. Zelfontplooiing is dan voortdurende zelfverbetering. Je gaat de competitie met anderen niet aan omdat je status van hun oordeel afhankelijk is, maar om je eigen grenzen te testen en overschrijden. Self-enhancement is de categorische imperatief van dit soevereine individu. Hij moet onophoudelijk ’aan zichzelf werken’.

Kun je ooit zo leven? De soevereine mens van Nietzsche is als de wijze Zarathustra een Übermensch, een aristocraat van de geest, die leeft op ijle, eenzame hoogte. Maar zijn filosofie is in de afgelopen eeuw gedemocratiseerd, en het soevereine individu is inmiddels een breed gedeeld ideaal. Met vallen en opstaan proberen wij allemaal onszelf voortdurend uit te vinden en dwingen ook elkaar daartoe. Daardoor worden we andere mensen. In de disciplinaire, hiërarchische samenleving van nog geen eeuw geleden had je een voorgegeven plaats en was je wat je deed. Ingebed in instituten als Staat, School, Kerk of Bedrijf vervulde je je rol. Nu leven we in een samenleving van elkaars gelijken en ligt er geen vast script meer voor klaar. We staan aan dezelfde startstreep en moeten een bijzonder iemand worden. Onderscheiden kunnen we ons alleen door energiek initiatieven te ontplooien. Het leven was ooit een lot, een ’bestemming’. Nu is het een reeks van keuzes waarmee wij onze eigen geschiedenis scheppen. Persoonlijke identiteiten zijn open en onbepaald. Het ik is een project in niemandsland, waarin we onze eigen gids, onze eigen horizon zijn.”[cxcviii]

Toch ben ik niet helemaal zeker ervan of de druk die het subject zichzelf oplegt en het feit dat je zelf je eigen gids en horizon bent je in de richting van de depressie duwen als dat niet lukt. Misschien is het de markering van het begin van een depressie, als je gaat beseffen dat er in je leven geen dingen zijn om voor te (blijven) leven. Als het leven daarom zijn smaak en aantrekkingskracht begint te verliezen. Ik vermoed, zoals Solomon stelt, dat dit een proces is dat langzaam en sluipend begint. Als depressie met denken samenhangt, als depressie een uitdovende werking heeft, een langzaam onttrekken van de zuurstof aan het organisme[cxcix], dan kan de erkenning van de onderliggende pijn ook al is ze niet  lichamelijk, misschien soelaas bieden. Solomon stelt het zo:

“Er is een Russische uitdrukking: als je wakker wordt zonder pijn te voelen, dan weet je dat je dood bent. Hoewel het leven niet alleen om pijn draait, is de ervaring van pijn, die specifiek is door zijn heftigheid, een van de duidelijkste tekenen van levenskracht. Schopenhauer zei: 'Stel je voor dat de mensheid werd overgebracht naar een Utopia waar alles vanzelf groeit en gebraden kalkoenen rondvliegen, waar geliefden elkaar zonder enig uitstel vinden en elkaar zonder enig probleem kunnen vasthouden: in een dergelijk oord zouden sommige mensen sterven van verveling of zich verhangen, anderen zouden gaan vechten en elkaar doden, en zo zouden ze voor zichzelf meer lijden creëren dan de natuur hun aandoet [. . .] de tegenpool van lijden [is] de verveling.' Ik geloof dat pijn getransformeerd, maar niet vergeten moet worden; men moet pijn tegenspreken, maar niet uitwissen.”[cc] 

De Lange verwijst naar de filosofie van Camus als hij stelt dat de confrontatie met de eigen sterfelijkheid en de keuze die je dan maakt een beslissende is: “Albert Camus opent zijn “Le mythe de Sisyphe” met de opmerking dat er maar één serieus filosofisch probleem bestaat: dat van de suïcide. Waarom plegen we geen zelfmoord? „Oordelen of het leven de moeite loont geleefd te worden of niet, dat is de fundamentele vraag van de filosofie beantwoorden.” Pas wie op de absurditeit van die vraag voor zichzelf een antwoord heeft gevonden, kan het leven genieten.”[cci]

Zelfacceptatie, weten wie je bent, waar je voor leeft en hoeveel ruimte je hebt om fouten te maken, om imperfect te zijn, om te mogen falen van jezelf. Elke dag de lat niet te hoog leggen, elke dag je kleine beperkte eenvoudige doelen halen. Grote doelen haal je slechts met heel veel geduld en doorzettingsvermogen. Daarvoor moet je tijd en rust nemen en vooral jezelf relativeren. Ook dat is een kenmerk van het bewustzijn: zelfrelativering. Utopische projecten najagen, situaties die buiten ons vermogen liggen, maar die wel normerend en stress verhogend kunnen werken hebben vaak een funeste uitwerking op ons zelf-verstaan. Als de drang bestaat om de wereld “te redden”, een symptoom waar sommigen last van hebben, als ons wereldbeeld gekleurd wordt door dit utopisch en daarom ook ‘Messiaanse’ streven, dan kan alleen een realistische inschatting van de situatie verder helpen. Teleurgesteld idealisme ontaardt meestal in cynisme, scepticisme of de valkuil van de depressie doemt op. Het jeugdige idealisme, het vertrouwen in de wereld, in de goedheid van de medemens krijgt zo een knauw. Ik vermoed dat elke jongere deze fase van idealisme en teleurstelling doormaakt. Een aantal maakt op jonge leeftijd al traumatische ervaringen mee waardoor het vertrouwen ernstig beschaamd wordt. Deze jeugdervaringen, vaak gekoppeld aan een lichamelijke herinnering, bijvoorbeeld incest, seksueel misbruik, dat wil zeggen het lichaam is in het spel, het lichaam slaat deze ervaringen op, vormen in de ontwikkeling een voortdurend obstakel waarmee gevochten moet worden.[ccii] Het zit in de weg, de drang om te leven wordt voortdurend gefrustreerd door wat er in het verleden gebeurd is. Elke dag kan een gevecht om te overleven worden. Als men zich bewust is van de pijn. Elke dag is dan een snakken misschien naar normaliteit, naar rust en vrede, maar de pijn houdt het zelf wakker en brengt hem voortdurend in een staat van opwinding, angst en onzekerheid ook omtrent het zelf als subject - ook omtrent de vraag: mag ik er wel zijn? Als zoveel tekenen wijzen naar een “verworpen en niet geaccepteerd zelf” in het verleden moet het zelf daar alle kracht en energie voor inzetten om zich staande te houden - de heterotopie uit het verleden is te sterk en energetisch regressief te bepalend dat het heden de indrukken van toen niet kan wegnemen, wat er ook door anderen wordt gezegd, beloofd en getoond in handelingen van acceptatie en genegenheid. Het zelf zal nauwelijks durven geloven dat het tegenovergestelde van die negatieve heterotopie ook waar kan zijn en een basis kan vormen voor een nieuwe toekomst waarin het verleden (verwerkt) achtergelaten kan worden. 

Een aantal (vooral) jongeren grijpt naar een middel om zichzelf pijn te doen, om in hun toestand van lethargie, hun depressieve gevoelen te doorbreken door het voelen van pijn. Daarvoor gebruiken ze hun eigen lichaam. Pijn die voor een moment “verlichting” geeft, maar daarna overheerst vaak de schaamte en valt men terug in dezelfde gevoelens van troosteloosheid. De pijn geeft slechts kortstondig troost. Steven Levenskron stelt in het boek “Zelfbeschadiging” dat veel hulpverleners niet in staat zijn tot het bieden van hulp omdat ze de zelfverminking veroordelen. Ze kunnen zich niet verplaatsen in de persoon en keuren het gedrag in woorden en houding af. Daardoor bevestigen ze alleen de schaamtegevoelens en de gevoelens van schuld van de persoon in kwestie. De onderliggende motieven waardoor het lichaam wordt aangepakt blijven in het donker. Als zelfverminking troost biedt dient de vraag te worden gesteld troost voor wat. En daarna wat zou echte troost bieden in jouw situatie. Waarom heb je pijn, hoe kan die pijn aan het licht worden gebracht? Het gaat erom dat er tussen hulpverlener en persoon een gesprek op gang kan komen waarin de zaken die er toe doen naar boven komen, een gedeelde taal.[cciii] Zolang de hulpverlener niet in staat is de leefwereld via de taal te leren delen is er weinig perspectief want beiden zitten dan opgesloten in hun eigen wereld. Het gaat in eerste instantie om het serieus nemen van de heterotopie waarin de ander verkeert. Hij is door de omstandigheden hierin terecht gekomen en moet nu een weg vinden hierin. Alle handelingen (ook aan het lichaam) zijn in feite pogingen die weg te vinden.

Solomon schetst in zijn boek aan de hand van een voorbeeld in Cambodja[cciv] hoe verminkte en psychisch gebroken depressieve vrouwen (allemaal slachtoffers van het regime van Pol Pot, een extreme heterotopie) in een vluchtelingenkamp via aandacht voor hun verhaal en in een latere fase voor het eigen lichaam weer langzaam hun zelfwaardering terugvinden.[ccv] Ik vermoed dat de ideeën die in deze werkwijze schuilen en de toegewijde aandacht voor de persoon ook op het terrein van de behandeling van depressies, automutilatie en anorexia effect zouden kunnen sorteren omdat de hele mens hier wordt waargenomen, gehoord en bevestigd in wat hij zijn kan en worden kan na de ziekte. Als de persoon leert zien dat de heterotopie waarin hij verkeerde een andere, verkeerde, niet normale plaats was en dat daarbuiten ook andere mogelijkheden zijn, afhankelijk van vroegere ervaringen, dan kan er een vorm van thuiskomst plaatsvinden, thuis in de wereld en opnieuw thuis bij zichzelf. 

 

B. Het lichaam verlaten

 

 

“Es gibt Menschen, die verschwinden, wenn sie einsam sind,

sie verflüchtigen sich wie Wirbel in der Luft.

Wenn jemand sie plötzlich riefe,

würde niemand antworten.

Oder vielleicht hört man allein

etwas Ähnliches wie eine eingeprägte Stimme.

 

Die Einsamkeit ist eine Prüfung der Wirklichkeit.

Und sie lehrt zumindest, sich einen anderen Namen zu suchen.

Und manchmal ein anderes Sein.”

 

Roberto Juarroz - Vertikale Poesie[ccvi]

 

 

Het zelf woont in het lichaam en het zit eraan vast. De feitelijke afstand tussen het zelf en de beleving van het lichaam en de onlosmakelijke verbondenheid maken het ambigue karakter uit van het zelf als lichaam, en het lichaam als auto-topie. Je kunt wel en niet afstand nemen van je lichaam.

Er zijn getuigenissen van mensen die vertellen over uittredingen, het lichaam verlaten. David Cooper, een Joodse rabbijn en mysticus, vertelt in een tv-uitzending hoe hij tijdens een storm zich vasthield aan de mast op het schip, en op dat moment nam hij zichzelf waar vanuit een andere positie buiten zijn lichaam. Dat heeft hem geleerd dat de ervaring van opgesloten zijn in het lichaam relatief is. Ik ben niet in staat te onderzoeken in hoeverre deze ervaring waar is en algemeen geldig, maar ik ben wel geneigd om zijn getuigenis voor waar aan te nemen omdat het een heel persoonlijke ervaring betreft.  

De slaap is ook een situatie waarin wij ons lichaam anders kunnen ervaren, of zelfs niet ervaren. De slaap heeft nog altijd iets geheimzinnigs omdat de werkelijkheid van het alledaagse overdag anders is dan de overgave in de slaap.[ccvii] Levinas noemt de slaap een overgave aan de plaats. Hij noemt het ook de psychische en fysische activiteit opschorten. “Gaan liggen is precies het zijn beperken tot plaats, tot positie. De plaats is geen onverschillig ‘ergens’, maar een basis, een conditie.”[ccviii] Deze plaats komt niet alleen toe aan het lichaam als wij wakker zijn. Levinas zegt dat de slaap de relatie met de plaats als basis herstelt. Onze overgave bevestigt die basis. Het is een kwestie van kunnen slapen, durven slapen, van vertrouwen. Slapen in een schuilplaats, die het bed is, schort het zijn op zonder het teniet te doen. Levinas zegt dat het bewustzijn opkomt, uitgaande van de rust. “Het is een zich-begeven in het zijn dat erin bestaat precies in het buitenstaanderschap van de slaap te blijven. Het ‘heeft’ een grondslag, het ’heeft’ een plaats. Het enige bezitten dat niet belastend is, maar dat de conditie is: het bewustzijn is hier. Dat het bewustzijn hier is, is niet opnieuw een feit in het bewustzijn, geen gedachte, geen gevoel, ook geen volitie, maar de positie van het bewustzijn. Het gaat niet om het contact met de aarde: op de aarde steunen is meer dan een sensatie van contact, meer dan een kennen van de grondslag. Wat hier object van kennen is, staat niet tegenover het subject, maar ondersteunt het en steunt het dusdanig dat het subject zich als subject poneert door het feit van op de basis te steunen.”[ccix] Levinas maakt deze filosofische omweg over de positie van het bewustzijn en het subject in de slaap om het tegenovergestelde, namelijk de vernietiging van het subject, de desintegratie van de hypostase, zoals hij dat noemt te kunnen beargumenteren. Voor hem heeft de emotie die kracht. Zoals in de slaap het bewustzijn rust in het subject in zijn schuilplaats, zo treft de emotionele schok het bewustzijn met volle kracht en doet het trillen op zijn grondvesten. Emotie maakt volgens hem niet het zijn onzeker, maar de subjectiviteit van het subject. De emotie ondergraaft het zelfverstaan, neemt haar op sleeptouw. “Emotie is een wijze van staande blijven terwijl de grond onder je voeten wegzinkt. Zij is fundamenteel de duizeling die daarin binnensluipt, het feit van zich boven een leegte te bevinden. De wereld der vormen gaat open als een afgrond zonder bodem. De kosmos valt uiteen tot gapende chaos, dat wil zeggen afgrond, tot afwezigheid van plaats, tot er is.”[ccx] Op een fundamenteel niveau beweert Levinas hier dat het bewustzijn in zijn slaap vooraf gaat aan het bewustzijn dat wakker is. Het gaat vooraf aan alle verstaan, aan alle horizon en elke tijd. Hiermee keert hij zich ook tegen Heidegger die het “Da” van het “Dasein” tot uitgangspunt maakt van het zijnde, het bewust zijnde subject. Hier wordt de wereld voorondersteld. Levinas gaat verder en maakt de plaats waarop of waarin het subject rust, dat wil zeggen helemaal bij zichzelf is in de slaap, tot fundament en dat vindt plaats in het lichaam: Het lichaam is daarom de intrede van het bewustzijn.  Het lichaam is op generlei wijze ding, zo Levinas, niet omdat er een ziel in woont, maar omdat het deel uitmaakt van het gebeuren. Het lichaam is en het is belichaming van het bewustzijn met als basis, als uitgangspunt de slaap.[ccxi] Dat deel uitmaken van een gebeuren zal later bij Heinrich Rombach terugkomen als ik zijn visie op de mens en het lichaam bespreek. 

Toch is het bewustzijn in het lichaam in de slaap niet uitgeschakeld. Alleen de relatie van het lichaam tot zelf en wereld wordt anders beleefd, en wel in de dromen. Dromen zijn én een activiteit van de geest maar misschien ook van het lichaam. Het zelf dat de indrukken van de ervaringen opnieuw ordent, herbeleeft, aanvult. Ik heb het vermoeden dat ook het lichaam een indirecte invloed uitoefent op de inhoud van de droom, telkens als we een andere lichaamshouding aannemen verandert de inhoud van de droombeelden, de droomsituatie. Bij onderzoek naar hersenactiviteit kan het een en ander worden vastgesteld over de slaap, maar de betekenis daarvan voor het verstaan van het zelf en het lichaam is mij nog niet helder.[ccxii] In de religies waar dromen een belangrijke rol spelen, ook het sjamanisme bijvoorbeeld, wordt niet lichtzinnig gedacht over de betekenissen van dromen. Zij hebben een status die wij vanuit een westers standpunt niet meteen kunnen onderschrijven omdat we in een ander betekenisveld onze wereld invullen. Ons wereldbeeld is (vaak) een ander.

Drugs en andere chemische middelen kunnen hallucinaties veroorzaken. Carlos Casteneda beschrijft experimenten met de cactus peyote die o.a. mescaline bevat. Hij maakt daardoor vreemde lichamelijke ervaringen mee die overeenkomsten vertonen met uittreding uit het lichaam.[ccxiii] In de zeventig en tachtiger jaren bereikten zijn boeken een cultstatus. Dat zegt ook iets over het verlangen van de mens om op dit terrein nieuwe ervaringen op te doen. De ontwikkelingen op het gebied van cyberspace vertolken eveneens dit utopisch verlangen. Palmyre Oomen schetst in “Het onmisbare lichaam” de wisselwerking in waardering van het lichaam in de geschiedenis van onze cultuur.[ccxiv] Een dergelijke wisselwerking vindt je ook terug bij fenomenen als zelfliefde/narcisme in de geschiedenis.[ccxv] De relatie tussen zelfbeeld, wereldbeeld en de ervaring van het lichaam komt hier expliciet aan het licht. Onze hele westerse filosofie is in feite ruwweg getekend door de strijd tussen aanhangers die een materiële werkelijkheid als basis van alles verklaren en de aanhangers van een geestelijke werkelijkheid als basis. Cyberspace staat voor velen aldus Oomen ook voor een nieuwe ruimte waar het lichaam kan worden achtergelaten en waar andere krachten of kwaliteiten gelden. Cyberspace als een ontstijging aan lichamelijke beperkingen. Oomen wijst er terecht op dat de voorwaarden echter zeer materieel zijn om deze computerervaringen mee te kunnen maken. Oomen vermoedt dat het speculeren in cyberspace ook een vertaling van de wens is om met het loskoppelen van het lichaam ook de sterfelijkheid van dat lichaam achter zich te laten. Een vorm van utopie die in science fiction vaak aan de orde komt. Zelf pleit zij voor een andere kijk op lichamelijkheid met cyberspace als metafoor. Ze noemt dat “wederzijdse inwoning”  een idee ontleend aan de incarnatiegedachte uit de theologie. Zij sluit aan bij het begrip lichaamschema van Merleau Ponty om te wijzen op het feit dat de grenzen van het lichaam niet vastliggen: bijvoorbeeld de tennisser die het racket als het ware geïncorporeerd in zijn lichaam moet hebben om goed te kunnen tennissen, of de arts die via de computer iemand op een andere plek kan opereren.  

Oomen stelt: “Deze en andere voorbeelden maken duidelijk, dat het ik, inclusief lijfelijke aspecten als geluidsvoortbrenging of zelfs  operatief ingrijpen, 'uitvloeit' voorbij de grenzen van de enkelvoudige locatie waar het fysieke lijf zich simpelweg lijkt te bevinden. Je bevindt je kennelijk lijfelijk en geestelijk (juist vanwege het samengaan van die twee) op veel meer plaatsen. En zo geldt dat voor ieder. Anders gezegd we overlappen elkaar. Een zeer bijzondere eigenschap voor lichamen... en vloeken in de kerk van Descartes. En toch, op een bepaalde manier is het zo.

Dit fascinerend inzicht is met kracht naar voren gebracht door de Engels-Amerikaanse filosoof Alfred N. Whitehead (1861-1947). Whitehead spreekt van 'wederzijdse inwoning' (mutual immanence). Volgens hem is denken dat iets zich enkel op één bepaalde plaats bevindt, de plaats namelijk die het lichaam in een direct observeerbare zin inneemt, een vergissing. Dingen hebben niet een 'enkelvoudige locatie', ze bevinden zich natuurlijk in een bepaalde zin wel op een énkele plek ('hier' of 'daar'), maar toch zijn ze op veel méér plaatsen dan op die ene zo aangeven plek. Zo zijn bijvoorbeeld een spreker en zijn toehoorders op een bepaalde manier in elkaar aanwezig: de zaal en de luisteraars zijn aanwezig in de spreker, in diens gedachten, in diens brein, maar zo is de spreker ook aanwezig in de zaal en in de mensen die daar zitten, in hun gehoor, in hun ervaring. Whitehead: 'Thus there is a dual aspect to the relationship of an occasion of experience as one relatum and the experienced world as another relatum. The world is included within the occasion in one sense, and the occasion is included in the world in another sense. For example, I am in the room, and the room is an item in my present experience', en elders: '[N]o two actual entities can be torn apart: each is all in all '

Margaret Wertheim spreekt in deze context van 'zelf-ruimte', de ruimte waar haar 'zelf' is, en die is ruimer, veel ruimer, dan waar haar observeerbare lijf zich bevindt: ‘ik wil niet beweren dat de 'zelfruimte' onafhankelijk van de materiële ruimte is, een eigen ontologische entiteit [zou zijn]. Natuurlijk kan mijn ik alleen bestaan omdat er een lichaam is waarin het geworteld is. Maar tegelijkertijd beperkt mijn ik zich niet tot de ruimte waarin dat lichaam zich bevindt.”[ccxvi] Palmyre Oomen duidt deze ruimte ook fysisch omdat we de actieradius van onze zintuigen hebben uitgebreid. Daarmee is duidelijk dat we ons lichaam niet achter ons kunnen laten zonder ons leven te verliezen. Als het beeld dat wij tot nu toe hebben van ons lichaam misschien te beperkt is om ervaringen van bijvoorbeeld uittredingen en andere gewaarwordingen te omschrijven wil dat nog niet zeggen dat deze ervaringen dan ook echt hebben plaatsgevonden en dat wij in staat zijn om ons lichaam achter ons te laten. Het laatste woord is hier nog niet over gesproken.[ccxvii] Misschien kan het ouder worden ook (een heel langzaam) verlaten van het lichaam genoemd worden. Dat gaat veelal ongemerkt maar het eindresultaat is onmiskenbaar. Daarom hebben sommigen misschien daar dan ook veel moeite mee. Ze verliezen niet alleen hun gezondheid, hun leven dat ze gewend zijn maar ook hun wereldbeeld past niet meer in de werkelijkheid van het ervaren lichaam. Het zelf en het wereldbeeld zullen zich op straffe van eventuele (psychische) ziekte (bijvoorbeeld ouderdomsdepressie) moeten aanpassen aan de conditie van het lichaam.[ccxviii]  

 

C. Zelfdoding

 

“Unsichtbare Künste

 

Du, die all meine Tode besingt.

Du, die singt, was du dem Traum

der Zeit nicht anvertraust,

beschreib mir von jenen Wörtern in Totenhemden,

die meine Unschuld bewohnen.

 

Mit all meinen Toden

ergebe ich mich meinem Tod,

mit Händen voller Kindheit,

mit trunkenen Wünschen,

die unter der Sonne nicht wandelten.

Und es gibt nicht ein Morgenwort,

das dem Tod zuspricht,

und nicht einen Gott, worin wir grimassenlos sterben.”

Alejandra Pizarnik[ccxix]

 

 

Een einde aan je leven maken is een definitieve stap om je lichaam absoluut buiten spel te zetten in de hoop dat het einde van het lichamelijke leven ook een einde zal meebrengen van lijden dat als ondraaglijk wordt ervaren. Als de mens voor het geluk bestemd is, en als zijn leven ingericht is als een manier om geluk te ervaren, zoals Emmanuel Levinas dit stelt, is de zelfmoord, de vermoording van het zelf, een uiterste poging om dit geluk na te streven omdat het geluk binnen het leven onhaalbaar lijkt.[ccxx] Levinas schrijft: “We ontvluchten het leven naar het leven. De zelfmoord verschijnt als mogelijkheid voor een zijnde dat al in betrekking staat met de Ander, al tot het leven voor de ander is bestemd. De zelfmoord is de mogelijkheid van een bestaan dat al metafysisch is. Alleen een zijnde dat in staat is tot opoffering is in staat tot zelfmoord. Alvorens de mens te definiëren als een dier dat zelfmoord kan plegen, moet hij gedefinieerd worden als in staat om voor een ander te leven en vanuit de ander, buiten hemzelf, te zijn. Het tragische karakter van de zelfmoord en opoffering getuigt echter van het radicale karakter van de liefde voor het leven. De oorspronkelijke betrekking van de mens met de materiële wereld is niet de negativiteit, maar genieting van en welbehagen in het leven. Uitsluitend tegenover dit welbehagen, dat de interioriteit niet achter zich kan laten omdat het haar constitueert, kan de wereld als vijandige wereld verschijnen: als te ontkennen en te veroveren. Al verstoort de onzekerheid van de in het genieten volledig beaamde wereld de genieting, de onzekerheid is niet in staat het fundamentele welbehagen in het leven te onderdrukken. De onzekerheid brengt echter in de interioriteit van de genieting een grens aan, die noch afkomstig is van de openbaring van de Ander, nog van een of andere heterogene inhoud,/ maar op een of andere wijze van het niets. Deze grens hangt af van de wijze waarop het element waarin het gescheiden zijnde tevreden en zichzelf genoeg is, op dit zijnde afkomt - van de mythologische dichtheid die het element prolongeert en waarin het element zich verliest. Deze onzekerheid - die zo een zoom van ‘niets’ rond het innerlijke leven legt en het eilandkarakter ervan bevestigt - wordt op het ogenblik van de genieting beleefd als de zorg om de dag van morgen.”[ccxxi]

De liefde voor het leven is bij Levinas niet hetzelfde als de zorg-om-te-zijn zoals Martin Heidegger dit formuleerde, als een vorm van bestaan die existentieel gegeven is met het “Dasein” van de mens. De mens bemint niet het zijn, maar het geluk-om-te-zijn. Deze liefde voor het leven is geen voorstelling, dus niet iets in de geest, geen intentie, en ook geen resultaat van een nadenken, een reflectie over het leven volgens Levinas. De genieting staat op zichzelf, ze is in de woorden van Levinas zichzelf genoeg. Het is het welslagen van carpe diem. De duur heeft er geen vat op want anders zou het genieten nooit volledig zijn, dan zou het een bewust-worden zijn van de betrekkelijkheid ervan. Levinas neemt stelling tegen Heidegger die volgens hem een tegenstelling schept tussen het ik en zijn vreugde, een tegenstelling veroorzaakt door het bewust-worden van een ongerustheid dat het genieten niet duurt, of een tegenstelling die voortkomt uit de moeite die aan de arbeid inherent is.[ccxxii]

“Op geen enkele manier wordt het zijn hier in zijn totaliteit afgewezen. In zijn verzet tegen het zijn zoekt het ik een toevlucht in het zijn zelf. De zelfmoord is tragisch, want de dood brengt geen oplossing mee voor alle problemen die de geboorte heeft opgeworpen en is niet bij machte de aardse waarden te devalueren. Vandaar de laatste kreet van Macbeth die oog in oog staat met de dood, verslagen omdat het universum niet terzelfder tijd teniet gaat als zijn leven. Het lijden is de wanhoop te zijn vastgeklonken aan het zijn, maar is tegelijkertijd de liefde voor het zijn waaraan het is vastgeklonken. Het is de onmogelijkheid het leven vaarwel te zeggen. Welk een tragedie! Welk een komedie! Het taedium vitae baadt in de liefde voor het leven dat het verwerpt. De wanhoop breekt niet met het ideaal van de vreugde.”[ccxxiii] 

De zelfmoord maakt dus geen einde aan het genieten maar het is eerder een concluderen dat het genieten voor de persoon niet meer is weggelegd, dat een leegte het bestaan kenmerkt, een leegte die ongenietbaar de dagen vult. De zelfmoord is dan ook geen argument in de discussie over de zinvolheid of zinloosheid van het leven. Omdat het genieten fundamenteel is moet er iets plaatsvinden bij het subject om dat genieten niet meer aan eigen lijve te kunnen ervaren. Levinas noemt dit cryptisch ook “een onzekerheid die een zoom van ‘niets’ om het innerlijk leven legt”, met andere woorden zou je dit ook een kenmerk van depressie kunnen noemen - alles wat van waarde leek is opgelost, weggevallen. De concrete relaties kunnen die innerlijke leegte die ook als een pijn, een schuren van een innerlijke wond ervaren wordt, niet opvullen. Deze onmogelijkheid van vervulling lijkt ook op de scheur, “rupture” die Ronald Barthes formuleert - de afgrond die bestaat tussen mij en de dingen en die in het teken zichtbaar wordt als scheur op het gezicht van het teken. Het teken zelf is daarmee onbereikbaar als een onvervuld verlangen.[ccxxiv] Het teken verwijst en in die verwijzing openbaart het zijn meerduidigheid. Zo gauw wij het willen vastleggen blijkt dat er een werkelijkheid achter verborgen ligt en elke vastlegging is een totalitaire poging die eerder getuigt van onmacht tegenover de werkelijkheid dan een overwogen actie die zinvol is. Toegepast op de zelfmoord kan deze worden gezien als een daad die hoe uitgebreid beargumenteerd ook voor de ander onbegrijpelijk en onverstaanbaar is. Omdat je niet in de schoenen staat van degene die de daad uitvoert. Omdat, als wij Levinas mogen geloven, leven eerst en vooral zoeken naar het geluk van het genieten is en bij de ervaring daarvan past de zelfmoord niet in het plaatje en is het tekenkarakter van de zelfmoord tevens een afgrond die zich in ons leven opent als een dierbare uit het leven stapt. De geliefde is in deze afgrond gesprongen. Wij blijven verbijsterd achter.[ccxxv]

A. Alvarez noemt de zelfdoding een gruwelijke god omdat deze een laatste en definitief offer vraagt: het offer van het eigen lichaam. Hij spreekt uit eigen ervaring omdat hij met deze gedachte bezig is geweest. Hij biedt een inkijk in de psyche van de persoon voor wie zelfdoding een reële en toekomstige optie is.[ccxxvi] De wereld van de zelfmoordenaar is een gesloten wereld, een wereld waarin de ander geen reële toegang meer toe heeft. Het is een wereld waarin het zelf alleen is met zichzelf en zijn lichaam. De wereld buiten is letterlijk buiten, anders, vreemd, er is geen contact meer mogelijk. Contact is hoogstens schijn, een spel om de schijn van contact op te houden.[ccxxvii] 

Jean Améry die zelf de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt als gevangene schreef een uitgebreid boek over de zelfmoord. Hij noemt de zelfmoord “Freitod”, een dood gekozen met het doel “vrij” te worden. De vraag is welk soort vrijheid hier wordt nagestreefd, welke verwachtingen gekoesterd worden over deze bevrijding van het leven en het lichaam. In zijn boek beschrijft hij ook het moment waarop de persoon aan de rand van de afgrond staat om te springen. Zolang hij daar staat is hij nog bezig met zijn plan maar heeft hij het nog niet uitgevoerd. Améry schetst de bodemloze afstand tussen de sprong zelf en het voornemen om te springen. Opvallend is dat auteurs te rade gaan in de literatuur als zij spreken over de zelfmoord.  De wijze waarop de dood gekozen wordt is thema van veel kunstuitingen. Cleopatra, Judas en Lucretia om maar enkele bekende namen te noemen van zelfmoordenaars figureren op tal van schilderijen en hebben de fantasie geprikkeld. [ccxxviii] De zelfgekozen dood na het verlies van een veldslag omdat de schande van de gevangenschap en het verlies te groot waren, het komt terug bij de Grieken, de Japanners (seppuku - de traditionele zelfmoord van de Samoerai ook wel Harikiri genoemd) en tal van romantici en ‘dweepers’ tot in onze tijd die deze zelfgekozen dood als een van de hoogste eretekenen beschouwen of als kunst.[ccxxix]

Améry citeert de zin “Das leben ist der Güter höchstes nicht” die bij heel veel schrijvers zoals Celan, Kleist, Pavese, Szondi en talloze anderen enthousiasme opriep in verband met de beschrijving van het mysterieuze karakter van de zelfmoord. Hij zelf kan er niet veel mee.[ccxxx] Améry, net als Paul Celan, Primo Levi en talloze anderen, zal in later stadium zich ook van het leven beroven. Peter Handke noemt zijn boek ter ere van zijn moeder die zich het leven benam “Wunschloses Unglück”, een vorm van ongeluk dat buiten het wensen en het verlangen staat maar dat je overkomt en waar geen kruid tegen gewassen schijnt. Het enige antwoord is dan het heft in eigen hand te nemen en een einde te maken aan het leven. Bij Handke lijkt de zelfmoord van zijn moeder nog een reden te hebben, hoewel elke reden er een te veel is voor hen die achterblijven. Ik zeg met opzet lijkt, want Handke slaagt er niet in om dat helder te krijgen. Zijn boek is eerder aan de hand van indrukken die bij hem bleven hangen, een poging om vrede te vinden met de situatie. Zijn moeder was ziek. Handke ziet op een middag echt hoe zijn moeder eruit ziet, ik citeer:

“Als ich im letzen Sommer bei ihr war, fand ich sie einmal auf ihrem Bett liegen, mit einem so trostlosen Ausdruck, dass ich ihr nicht mehr näher zu treten wagte. Wie in einem Zoo lag da die fleischgewordene animalische Verlassenheit. Es war eine Pein zu sehen, wie schamlos sie sich nach außen gestülpt hatte; alles an ihre war verrenkt, zersplittert, offen, entzündet, eine Gedärmeverschlingung. Und sie schaute von weitem zu mir her, mit einem Blick, als sei ich wie Karl Rossmann für den sonst von allen erniedrigten Heizer in Kafkas Geschichte, ihr geschundenes Herz. Erschreckt und verärgert bin ich sofort aus dem Zimmer gegangen. Seit dieser Zeit erst nahm ich meine Mutter richtig wahr. Bis dahin hatte ich sie immer wieder vergessen, empfand höchstens manchmal einen Stich bei dem Gedanken an die Idiotie ihres Lebens. Jetzt drängte sie sich mir leibhaftig auf, sie wurde fleischlich und lebendig, und ihr Zustand was so handgreiflich erfahrbar, dass ich in manchen Augenblick ganz daran teilnahm. Und auch die Leute in der Gegend betrachteten sie auf einmal mit anderen Augen: es war, als sei sie dazu bestimmt worden, ihnen das eigene Leben vorzuführen. Sie fragten zwar nach dem Warum und Weshalb, aber nur nach aussen hin; sie verstanden sie auch so.”[ccxxxi]

De wijze waarop Handke beschrijft dat zijn moeder sterft door een overdosis aan slaaptabletten laat zien dat het besluit al lang vaststond. Familieleden ontvingen een afscheidsbrief. In de brief die alleen wensen voor de begrafenis bevatte schreef ze aan haar zoon dat ze heel rustig was en gelukkig om eindelijk in vrede in te slapen. Maar Handke schrijft dat hij er zeker van is dat dat niet klopt.[ccxxxii] 

De terminologie rond de doding van het zelf/lichaam spreekt een eigen taal: zelfmoord, moord op het leven; zelfdoding, dood van het leven, het eigen leven; zich van het leven beroven, roof van het leven door het zelf; de hand aan zichzelf slaan; suïcide, zich doden, een einde maken aan, ophouden, omkappen, volgens het Etymologisch woordenboek ook verwant met heien, in de grond stampen en cement. In bijna al deze omschrijvingen zit iets gewelddadigs, iets waarvoor moeite nodig is, veel energie. Uit de omschrijvingen blijkt dat het niet zomaar gebeurt, het kost moeite, er moet weerstand overwonnen worden. Allereerst het idee en het effect wat de daad zal oproepen. De gedachten over hoe de buitenwereld, de naasten zullen reageren. Vervolgens voorstellen hoe het zal zijn als het gebeurt en als het voorbij is. En tenslotte hoe, welke methode gekozen wordt en hoeveel moeite dat zal kosten. Als dat hele proces doorlopen is moet de uitvoering nog plaatsvinden, het opbrengen van de kracht om de daad bij het woord te voegen, volgens de gedachte te voltrekken. Als het waar is dat er een geestelijke leegte, een breuk, een afgrond is ontstaan om het zelf, een leegte die niet meer door het zelf is te overbruggen, en als de dood voor het zelf het enige antwoord is om aan deze leegte te ontsnappen, dan is de doding van het zelf via het lichaam de ultieme poging de leegte te beëindigen. Zelfmoord die plaatsvindt om een einde te maken aan een ondraaglijke situatie, zoals de toestand van een gevangene in een concentratiekamp, waar zelfmoord streng verboden was (want de kampleiding heeft de macht over leven en dood), is misschien een variant maar kan ook afwijken van deze beschrijving. Want ik kan me voorstellen dat de uiterlijke omstandigheden zo gruwelijk zijn dat het zelf absoluut geen kracht meer kan opbrengen om weerstand te bieden en liever de dood verkiest dan het gevecht te blijven aangaan om te leven en te overleven.[ccxxxiii] De situatie van de “muzelman” in het kamp, de mens zonder enige levenswil en levensenergie, zoals Agamben die beschrijft is weer een andere. Ik zal daar later nog op terugkomen.[ccxxxiv] Zolang wij aan het leven gehecht blijven - in ons lichaam wonen en kunnen genieten - zal het onvoorstelbaar blijven om de dood op deze wijze onder ogen te zien. De literaire verwoording moet noodgedwongen halt houden bij dit laatste moment van sterven: dat blijft fictie, ingevulde werkelijkheid. Feit is dat een verder leven in dit lichaam als dystopie wordt ervaren, als verwerpelijk, daar wordt dan de consequentie uit getrokken.[ccxxxv]

Jean-Pierre Wils tenslotte beschrijft in “Ars moriendi. Über das Sterben” hoe in de loop van de geschiedenis aangekeken is tegen het sterven in eigen hand nemen en hij laat dit gedeelte vooraf gaan door een analyse van het sterven zelf, de pijn die soms erbij komt en het onderscheid tussen dood en sterven. Hij maakt ook dankbaar gebruik van literaire bronnen om dit sterven voorafgaande aan de dood te verduidelijken.[ccxxxvi] 

 

 

 

“1961 Sonntag 1. Januar

 

In allernächster Zeit werde ich Selbstmord begehen. Ich spüre es ganz klar, dass ich dem Ende entgegengehe. Ich sehe keinen Ausweg mehr. Weder außen, noch im Innern. Ich habe einfach keine Kraft mehr, und der Wahnsinn beherrscht mich (eine schreckliche Hysterie: absolutes Unvermögen, ruhig zu bleiben, friedlich).

 

1963 18. März, Montag

 

Sich umbringen heißt, diese höchste Klarsicht zu besitzen, die es erlaubt anzuerkennen, dass das Schlimmste jetzt geschieht, hier. Die Gesichter auf der Strasse. Niemand will Landschaft sein.  

 

1971 21.November, Sonntag

 

Vorigen Sonntag habe ich versucht, mich aufzuhängen. Heute lässt mich der Gedanke nicht los, mich zu ertränken. Nichts hätte mir besser getan, als Renée C. zu sehen. […]

 

November 1971

 

Schreiben heißt dem Leiden Sinn geben.

Ich habe so viel gelitten, dass sie mich schon aus dem Jenseits ausgeschlossen haben.

Schreiben heißt, unserem Leiden Sinn geben zu wollen.”

 

Alejandra Pizarnik[ccxxxvii]

 

 


 

[i] Juarroz, R., Vertikale Poesie. Poesía Vertical. Werkauswahl, Salzburg und Wien 2005 (Jung und Jung) p. 214

[ii] De mooiste van Giuseppe Ungaretti, vertaald door Salvatore Cantore in een redactie van etc. Tielt, Amsterdam 2002 (Lannoo/Atlas) p. 47

[iii] “Men kan het wonen interpreteren als het gebruikmaken van een "gebruiksvoorwerp'' onder andere "gebruiksvoorwerpen". Het huis dient dan om te wonen zoals de hamer dient om een spijker in te slaan of de pen om te schrijven. Het huis behoort immers tot de uitrusting en het bestand van dingen die noodzakelijk zijn voor het leven van de mens. Het dient ertoe hem te beschutten tegen weer en wind, hem te verbergen voor zijn vijanden of voor ongewenste gasten. Toch neemt het huis in het systeem van finaliteiten waarin het menselijk leven staat een bevoorrechte plaats in. Geenszins de plaats van een uiteindelijk doel. Al kunnen we het nastreven als doel, al kunnen we "genieten" van ons huis, in deze mogelijkheid van genieting laat het huis niet zijn oorspronkelijkheid zien. Want alle "gebruiksvoorwerpen" behelzen, buiten hun nut als middelen met het oog op een doel, een onmiddellijk belang. Ik kan er immers plezier in scheppen een werktuig te hanteren, werk te verzetten, handelingen te verrichten bij het gebruik ervan, die zich weliswaar in een systeem van finaliteit schikken, maar waarvan het doel verder weg ligt dan het plezier of het ongenoegen dat op zichzelf genomen verschaft wordt door deze handelingen, die in ieder geval een leven vullen of voeden. De bevoorrechte rol van het huis bestaat niet in het huis als doeleinde van de menselijke activiteit, maar als de conditie daarvan, en in die zin als begin. De inkeer die noodzakelijk is, wil de natuur voorgesteld en bewerkt kunnen worden, om als wereld contouren te kunnen krijgen, voltrekt zich als huis. De mens houdt zich op in de wereld alsof hij daar aangekomen is vanuit een privé-domein, vanuit een thuis, waarin hij zich ieder ogenblik weer kan terugtrekken. Hij komt er niet vanuit een interstellaire ruimte waar hij al meester zou zijn van zichzelf en van waaruit hij telkens weer een landing vol gevaren zou moeten ondernemen. Maar hij bevindt zich er niet alsof hij er plompverloren ingeworpen en achtergelaten was. Tegelijkertijd buiten en binnen, gaat hij naar buiten vanuit een intimiteit. Anderzijds ontsluit zich deze intimiteit in een huis dat in die buitenwereld gelegen is.” in: Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) p. 176

[iv] Ik vermoed dat de beleving van de auto ook deel uitmaakt van dit eigene, dit zich thuis voelen in de wereld via het wonen. De auto als een vergrote nieuwe tijdelijke baarmoeder. De wereld wordt vanuit de auto anders waargenomen dan vanaf de fiets of lopend door de straten. Niet alleen de snelheid maar ook de beleving vanuit een andere context speelt hier een rol.

[v] Vgl. Antelme, R., Das Menschengeschlecht, Frankfurt am Main 2001 (Fischer Taschenbuch Verlag) p. 115-118 en The Lord of the Rings, 3. The return of the king 2003 (192 min) Jackson, P., (regie), New Line Cinema waar de hoofdpersonen op het moment van hun dreigende ondergang toch nog vol heimwee beelden van hun woonplaats en het voedsel bespreken. En in: Tolkien, J.R.R., In de ban van de ring, Utrecht Antwerpen 1974 (Spectrum) p. 1227

[vi] “ Ein Geruch nach Bäckerei, nach gebratenem Fleisch, nach einem üppigen Frühstück stieg auf. Aber die zu Hause, wenn die Speck und geröstetes Brot aßen, dann wussten sie nicht, wie sich das verwandelt hatte, wie es angefangen hatte, die Farbe zu wechseln, zu braten und vor allem zu riechen, diesen mächtigen Duft auszuströmen. Wir hier hatten unser Graubrot bekommen, wir hatten uns eine Scheibe davon abgeschnitten, wir haben die Scheibe selber auf den Ofen gelegt, und jetzt sahen wir zu, wie sich das Brot in Kuchen verwandelte. Nichts entging uns. Das Fleisch, aus dem Saft tropfte, glänzte und verbreitete einen furchtbaren Geruch nach Essbarem. Wir hatten nicht den Geschmack des Brotes verloren, der Kartoffeln, die man kaut. Aber das Essbare, das schon von weitem die Kehle mit seinem Geruch erfüllt und den Geruch selber, das hatten wir vergessen.

Ich habe meine Scheibe weggenommen. Sie war glühend heiß, es war ein Brioche. Mehr als ein Juwel, etwas Lebendiges, eine Freude. Sie war leicht gewölbt, das Fett des Fleisches war in die Krume eingedrungen, es glänzte. Ich habe den ersten Bissen getan; als die Zähne ins Brot bissen, gab es ein Geräusch, das mir die Ohren füllte. Es war eine Grotte von Duft, Saft und Nahrung. Alles war essbar. Zunge und Gaumen waren überflutet. Ich hatte Angst, etwas davon zu verlieren. Ich kaute, ich hatte überall Brot und Fleisch, auf den Lippen, auf der Zunge, zwischen den Zähnen, das Innere meines Mundes war eine Höhle, das Essen lief darin herum.

Schließlich habe ich geschluckt, es wurde geschluckt. Als ich dann nichts mehr im Mund hatte, wurde die Leere unerträg- lich. Mehr, mehr; das Wort ist für die Zunge und den Gaumen gemacht worden; noch einen Bissen, noch einen Bissen, das durfte nicht aufhören, die Kaumaschine, die Maschine zum Riechen, zum Lecken war in Gang gesetzt. Noch nie hatte der Mund wie in diesem Augenblick das Empfinden, etwas zu sein, das nie gefüllt werden konnte, das Empfinden, daß ihm nichts ein für allemal ausreichen konnte, dass er immer etwas haben müsse.” in Antelme, R., Das Menschengeschlecht, Frankfurt am Main 2001 (Fischer Taschenbuch Verlag) p.148

[vii] Vgl. Malpas, J., Heidegger’s Topology; Being, Place, World, Cambridge 2006 (the MIT Press) p. 208

[viii] Vgl. Schama, S., Landscape and Memory, London 1995

[ix] “Men kan deze zo formuleren: het bewustzijn van een wereld is al bewustzijn via deze wereld. Iets uit die geziene wereld is orgaan of wezenlijk middel voor het zien: het hoofd, het oog, de bril, het licht, de lampen, de boeken, de school. Heel de civilisatie door middel van arbeid en bezit ontstaat als concretisering van het gescheiden zijnde dat zijn scheiding voltrekt. Deze beschaving verwijst echter naar de incarnatie van het bewustzijn en naar het wonen - naar het bestaan vanuit de intimiteit van een huis - als eerste concretisering.” in: Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) p. 176-177

[x] Vgl. de opvattingen van Peter Sloterdijk die hier een heel boek aan wijdt in: Sloterdijk, P., Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering, Amsterdam 2006 (Sun)

[xi] “ De vertrouwdheid van de wereld is niet alleen maar het resultaat van in deze wereld aangenomen gewoonten, die de ruwe kanten ervan afslijpen en de mate aangeven waarin het levend wezen zich aanpast aan een wereld waarvan het geniet en waarmee het zich voedt. De vertrouwdheid en de intimiteit treden op als een weldadigheid die zich verbreidt over het aanzicht van de dingen. Niet slechts een tegemoetkoming van de natuur aan de behoeften van het gescheiden zijnde, dat. er van meet af aan van geniet en zich in deze genieting constitueert als gescheiden zijnde - dat wil zeggen als ik; maar een weldadigheid die voortkomt uit vriendschappelijkheid ten opzichte van dit ik. De intimiteit die al in de vertrouwdheid verondersteld wordt, is intimiteit met iemand. De interioriteit van de inkeer is eenzaamheid in een al humane wereld. De inkeer verwijst naar een onthaal.” p. 179-180 en “De vertrouwdheid is een voltrekking, een en-ergie van de scheiding. Vanuit de vertrouwdheid komt de scheiding tot stand als verblijf en wonen. Bestaan betekent voortaan wonen. Wonen, dat is allesbehalve het eenvoudige feit van de anonieme werkelijkheid van een zijnde dat in het bestaan geworpen is als een steen die men over de schouder gooit. Het is een inkeer, een tot zichzelf komen, zich thuis terugtrekken als in een toevluchtsoord, dat beantwoordt aan gastvrijheid, aan verwacht worden, aan menselijk onthaal.” p. 181

 in: Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo)

[xii] “Het huis laat het gescheiden zijnde geen wortel schieten in een bodem om het in plantaardige uitwisseling te laten met de elementen. Het is een plaats van afzondering ten opzichte van de anonimiteit van de aarde, de lucht, het licht, het woud, de weg, de zee en  de rivier. Het heeft een "straatkant", maar ook zijn geheim. Vanuit de woning breekt het gescheiden zijnde met het natuurlijke bestaan, badend in een milieu waarin zijn genieting, zonder die veiligheid, krampachtig, zou omslaan in / zorg. Heen en weer gaande tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid, staat het altijd op het punt van vertrek naar de binnenwereld, waarvan iemands huis of hoekje, zijn tent of hol, het voorportaal is. De oorspronkelijke functie van het huis bestaat niet in de oriëntatie van het zijn door de architectuur van het gebouw en in het onthullen van een plaats, maar in het verbreken van de volheid van het element door er de utopie te ontsluiten waarin het "ik" tot zichzelf komt door thuis, bij zich, te vertoeven. (86) Maar de scheiding isoleert me niet, alsof ik eenvoudigweg ontrukt was aan die elementen. Ze maakt de arbeid en de eigendom mogelijk.

De extatische en onmiddellijke genieting waaraan het ik- op een of andere manier meegezogen door de onzekere afgrond van het element - zich heeft kunnen overgeven, wordt verdaagd en verschaft zich uitstel in het huis. Deze opschorting doet de betrekking van het ik met de elementen echter niet teniet. De woning blijft op haar manier uitzicht bieden op het element waarvan ze scheidt. Aan de afstand die uit zichzelf ambigu is, zowel verwijdering als toenadering, ontneemt het venster de ambiguïteit om een blik mogelijk te maken die overheerst, uitzicht van iemand die zelf uit het zicht blijft, de blik die beschouwt. De elementen blijven ter beschikking van het ik - om te grijpen of niet, naar believen. De arbeid zal voortaan de dingen aan de elementen ontrukken en zo de wereld onthullen. Deze oorspronkelijke greep, deze inbeslagneming door de arbeid, die de dingen in het bestaan roept en de natuur tot wereld omvormt, veronderstelt, net als de beschouwelijkheid van de blik, de inkeer van het ik in zijn woning. De beweging waardoor een zijnde zijn thuis bouwt, de interioriteit voor zich ontsluit en veilig stelt, wordt geconstitueerd in een beweging waarin het gescheiden zijnde inkeert tot zichzelf. De latente geboorte van de wereld geschiedt

vanuit de woning.” in: Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) p. 181-182

[xiii] Vgl. Levinas, E., Van het zijn naar het zijnde, Baarn  1988 (Ambo) p. 66-67

[xiv] Vgl. Barthes, R., Mythen des Alltags, Frankfurt am Main 1964 (Suhrkamp)

[xv] Vgl. de woorden huis, thuis, tehuis, thuiskomen etc. in Huizinga’s spreekwoorden en gezegden. Herkomst, verklaring en vergelijking met Frans, Duits en Engels, Baarn 1999 (Trion) en Laan ter, K., Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen. Met de weerspreuken verzameld door A.M. Heidt jr., Utrecht 2006 (Spectrum)

[xvi] Vgl. Sloterdijk, P., Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering, Amsterdam 2006 (Sun)

[xvii] Vgl. Lemaire, T., Filosofie van het landschap. Amsterdam 1970 2002 p. 129 e.v.

[xviii] Vgl. Mul, Jos de, Cyperspace Odyssee, Kampen 2002 (Klement)

[xix] Pizarnik, Alejandra, Genizas Asche, Asche, 1956-1971, Zürich 2002 (Amman Verlag) p. 17

[xx] Ik heb mij bij het begrip unheimlich laten inspireren door Heidegger, hoewel ik zijn interpretatie op dit moment niet verder analyseer maar me enkel laat leiden door de betekenis ervan vgl. Heidegger, M., Sein und Zeit, Tübingen 2006 (Max Niemeyer Verlag) p. 276-277

[xxi] Heidegger, M., Sein und Zeit, Tübingen 2006 (Max Niemeyer Verlag) p. 141

[xxii] Vgl. Kwant, R.C., Fenomenologie van de taal, Utrecht Antwerpen 1963 (Spectrum) p. 210-211 over de mens die in zijn psychische ziekte toch van zijn wereld een coherent geheel tracht te maken.

[xxiii] Juarroz, R., Vertikale Poesie. Poesía Vertical. Werkauswahl, Salzburg und Wien 2005 (Jung und Jung) p. 215

[xxiv] Vgl. Sjalamov, V. Berichten uit Kolyma, Amsterdam 2001 (De Bezige Bij)

[xxv] Lanoye, T., Niemandsland. Gedichten uit de grote oorlog, Amsterdam 2002 (Prometheus) p. 29

[xxvi] Vgl. Junger, E., In Stahlgewittern. Auswahl aus dem Werk in Fünf Bänden, Stuttgart 1994 (Klett-Cotta) die na de oorlog veel gelezen werd.

[xxvii] Vgl. World War 1. 1914-1918 the great war and the shaping of the century, (7 x 50 min), BBC 2006

vgl. “Niemand zal er bezwaar tegen hebben steeds opnieuw divisies te laten afslachten die er onderhand aan gewend zijn geraakt om afgeslacht te worden.” in: Graves, R., Dat hebben we gehad, (Goodbye to All that), Amsterdam Antwerpen 2002 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p 133

[xxviii] Buelens, G., (samenstelling en inleiding), Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen 2008, (Ambo/Manteau) p. 218

[xxix] Vgl. “ Het Oostenrijkse leger had een soortgelijke stelregel. Volgens de regels van 1911 zouden de fuseliers van de infanterie 'zonder steun van de andere wapens, ook in de minderheid overwinnen als [ze] maar taai en moedig waren'. Die visie was alle Europese legers eigen, de ideologische exponent van de 'geest van het offensief, niet alleen gebaseerd op beloften maar ook op een analyse van het karakter van recente gevechten, met name in de Russisch-Japanse oorlog. Het was aanvaard dat een hoog niveau van vuurkracht hoge verliescijfers met zich meebracht, en men geloofde nog steeds dat de bereidheid grote verliezen te accepteren de overwinning zou brengen.” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p. 182

[xxx] Vgl. Erasmus die ironisch schrijft: “ Is niet de oorlog de bron van alle heldendaden en het veld van eer? En wat is er nou dwazer dan om willekeurige redenen zo’n strijd aan te gaan waarvoor beide partijen altijd meer ellende dan goeds van komt? Degenen die sneuvelen, komen zoals de inwoners van Megara, niet in het verhaal voor. En als de ijzeren linies tegenover elkaar staan opgesteld, en ‘schor der hoorns hun signaal laten schallen’ wat - als ik het vragen mag - is dan de rol van wijze mannen die uitgeput van het studeren, bloedeloos en futloos staan te reutelen? Je hebt gewillige dommekrachten nodig met een maximum aan moed en een minimum aan intelligentie…” in Erasmus, Desiderius, Lof der Zotheid of De Dwaasheid gekroond. Een pronkrede, Amsterdam 2005 (Athenaeum-Polak & Van Gennep) p. 41

Vgl. ook Haasis, Helmuth G., Spuren der Besiegten, 3 Bd., Reinbeck bei Hamburg 1984 (Rowohlt) die op zoek gaat naar de sporen van de overwonnenen in de geschiedenis, zij die geen tekenen meer hebben nagelaten omdat ze verslagen werden en/of uitgeroeid zoals zoveel tegenstanders.

[xxxi] Vgl. “Haig was zelfs geen toeschouwer. Hij had niets gezien, niets gehoord, behalve het verre kanongebulder. Zelf had hij niets ondernomen, maar er was voor hem dan ook niets te zien of te doen. Zelfs een van zijn jonge officiers, luitenant Rickman, zag na het binnendringen van de Duitse stellingen van zijn Accrington Pals alleen nog 'het glinsteren van de zon op hun driehoeken', de metalen identificatieplaatjes op hun ransel. Tussen de manschappen en hun commandanten, hoog en laag, was het ijzeren gordijn van de oorlog neergelaten dat hen scheidde alsof ze op verschillende werelddelen leefden. Hoge commandanten hadden natuurlijk wel het oorlogsmateriaal om de kloof te overbruggen: de talloze kanonnen die achter de linies stonden opgesteld. Maar de middelen om het vuur van de artillerie te richten op de stellingen van de vijand die hun soldaten doodde, hadden ze niet. In vroegere oorlogen zagen de kanonniers de doelen met het blote oog; in latere oorlogen trokken de artilleriewaarnemers, uitgerust met radio, óp met de infanterie en leidden de artillerie mondeling en aan de hand van kaarten” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p.346

[xxxii] “'De artillerie was de grote nivelleerder,' schreef soldaat E. Atkinson van het 1st West Yorkshire Regiment dat van begin af aan in Frankrijk had gevochten. 'Niemand kon meer dan drie uur ononderbroken trommelvuur verdragen zonder volkomen suf en afgestompt te raken. Als [de mof] drie uur op je inbeukt, ben je voor het oprapen als hij komt. Het werkt ongeveer als een narcose.” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p. 436

[xxxiii] Vgl. Vgl. World War 1. 1914-1918 the great war and the shaping of the century, (7 x 50 min), BBC 2006

[xxxiv] Vgl. World War 1. 1914-1918 the great war and the shaping of the century, (7 x 50 min), BBC 2006

[xxxv] Barbusse, H., Het vuur, Amsterdam Antwerpen 2004 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 273

vgl. ook: “Ze bezaten niets; niet eens hun eigen lichaam, dat uitsluitend nog een instrument voor de oorlogvoering was,-en keken van de verwoestingen en ellende op naar een lege hemel en van een lege hemel weer naar de stilte in hun eigen hart. Ze waren naar het laatste eindpunt van de hoop gedwongen, en toch legden ze hun handen op elkaars schouders en zeiden met hartstochtelijke overtuiging dat het allemaal goed zou komen, hoewel ze nergens in geloofden behalve in zichzelf en elkaar. De opeenvolging van werkploegen, exercities en inspecties leidde hun gedachten nauwelijks af, zozeer was gehoorzaamheid een gewoonte geworden” in: Manning, F., Geslacht, Amsterdam Antwerpen 2001 (Uitgeverij de Arbeiderspers)p. 324

[xxxvi] Barbusse, H., Het vuur, Amsterdam Antwerpen 2004 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 300

[xxxvii] Barthas, L., De oorlogsdagboeken van Louis Barthas (tonnenmaker) 1914-1918, Amsterdam 2000 (Bas Lubberhuizen) p. 378

[xxxviii] Vgl; “In deze emotionele crisis, waarin de grens van zijn uithoudingsvermogen werd bereikt, verdwenen alle gradaties waarin tegengestelde gevoelstoestanden worden onderverdeeld en waren de uitersten niet meer van elkaar te onderscheiden. Hij kon het verlangen niet meer scheiden van de angst die het in toom hield; de kracht van zijn hoop streefde ernaar de wanhoop die hem onderdrukte te evenaren; vastbeslotenheid kon alleen maar gemeten worden aan de hand van de angst en de problemen die erdoor werden overwonnen. Alle bekrompen, onbeduidende maatstaven voor het gewone leven verdwenen in de botsing tussen deze conflicterende tegengestelden. Men kon uitsluitend proberen er een evenwicht tussen te handhaven, dat ieder moment werd verstoord en doorbroken.”  p.337

“En Bourne vroeg zich af waarom de doden toch een verwijt aan het adres van de levenden waren. Ze waren zo stil, zo onverschillig, de doden. p. 350 in: Manning, F., Geslacht, Amsterdam Antwerpen 2001 (Uitgeverij de Arbeiderspers)

[xxxix] Jünger, E., In Stahlgewittern. Auswahl aus dem Werk in Fünf Bänden, Stuttgart 1994 (Klett-Cotta) p. 7

[xl] Vgl. Jünger, E., In Stahlgewittern. Auswahl aus dem Werk in Fünf Bänden, Stuttgart 1994 (Klett-Cotta) p. 96: “ Ich machte hier, und während des ganzen Krieges eigentlich nur in dieser Schlacht, die Beobachtung, dass es eine Art des Grauens gibt, die fremdartig ist wie ein unerforschtes Land. So spürte ich in diesen Augenblicken keine Furcht, sondern eine Hohe und fast dämonische Leichtigkeit; auch überraschende Anwandlungen eines Gelächters, das nicht zu bezähmen war.” en p. 238: “ Im Vorgehen erfasste uns ein berserkerhafter Grimm. Der übermächtige Wunsch zu töten beflügelte meine Schritte. Die Wut entpresste mir bittere Tränen. Der ungeheure Vernichtungswille, der über der Walstatt lastete, verdichtete sich in den Gehirnen und tauchte sie in rote Nebel ein. Wir riefen uns schluchzend und stammelnd abgerissen Sätze zu, und ein unbeteiligter Zuschauer hätte vielleicht glauben können, dass wir von einem Übermaß an Glück ergriffen seien.”

[xli] Barthas, L., De oorlogsdagboeken van Louis Barthas (tonnenmaker) 1914-1918, Amsterdam 2000 (Bas Lubberhuizen) p. 254

[xlii] Buelens, G., (samenstelling en inleiding), Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen 2008, (Ambo/Manteau) p. 25

[xliii] Brants, C., en K., Velden van weleer. Reisgids naar de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam 1997 (Nijgh en van Ditmar) p. 201-202

[xliv] Vgl. het effect van het ingezette gas: “Maar in april hadden de Duitsers een dodelijke stof in voorraad in de vorm van chloor, een 'blaartrekkend' middel dat het celweefsel beschadigt, een overproductie van longvocht teweegbrengt en de dood tot gevolg heeft. Het was een nevenproduct van de Duitse verfindustrie die in handen was van IG Farben, dat praktisch een wereldmonopolie had op deze producten. Carl Duisberg, directeur van IG Farben, had eerder het probleem van het Duitse munitietekort aangepakt met zijn succesvolle onderzoek naar de synthetische bereiding van nitraten, een elementaire bestanddeel van hoogexplosieve stoffen en in organische vorm, alleen verkrijgbaar uit hulpbronnen onder geallieerde controle. Hij werkte tevens samen met industrieel chemicus Fritz Haber, hoofd van het Kaiser-Wilhelm-Institut te Berlijn, voor de ontwikkeling van een middel om chloor in grote hoeveelheden in de vijandelijke loopgraven te laten neer- dalen. Experimenten met gasgranaten waren mislukt (hoewel later gas-granaten met een andere vulling volop in gebruik waren). Het met mee-wind loslaten van chloor uit drukcilinders beloofde iets betere resultaten. Op 22 april werden er zesduizend cilinders met honderdzestig ton gas ten noorden van Ieper, tegenover Langemark, geplaatst. […] Na zwaar artillerievuur kwam om 17.00 uur van, de Duitse naar de Franse stellingen een geelgroene wolk aandrijven, en weldra strompel- den zoeaven en Algerijnse fuseliers bij duizenden, blauw in het gezicht, hoestend en naar hun keel grijpend achterwaarts. Binnen een uur was de frontlinie verlaten en was er een bres van 7 km breed in de verdediging van Ieper geslagen.” in: Keegan, J., De eerste wereldoorlog. 1914-1918. Vertaald door Bab Westerveld, 2006 (Olympus) p. 219-220

Vgl. Ook Martinetz, D., Der Gaskrieg 1914/18. Entwicklung, Herstellung und Einsatz chemischer Kampfstoffe. Das Zusammenwirken von militärischer Führung, Wissenschaft und Industrie, Bonn 1996 (Bernard & Graefe Verlag)

[xlv] Vgl. Barton, Peter, Passendale. Slagveld van Wereldoorlog 1, Tielt 2007 (Lannoo)

[xlvi] Barthas, L., De oorlogsdagboeken van Louis Barthas (tonnenmaker) 1914-1918, Amsterdam 2000 (Bas Lubberhuizen) p. 382

[xlvii] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 20

[xlviii] “De oude veldmaarschalk Von Moltke heeft in 1890 voorspeld dat de volgende oorlog misschien wel zeven - of desnoods dertig - jaar zou kunnen duren, omdat de hulpbronnen van een moderne staat zo groot waren, dat hij zich na een enkele militaire nederlaag niet verslagen zou achten en de strijd niet zou opgeven. Zijn neef en naamgenoot, Schlieffens opvolger als chef van de generale staf, had ook wel eens ogenblikken, waarin hij deze waarheid erkende. In tijdelijke ketterij jegens Clausewitz heeft hij in 1906 tegen de keizer gezegd: 'Het zal een oorlog worden tussen volken, die niet zal worden beslist door een enkele slag of veldtocht, maar door een lange, moeizame strijd met een land, dat pas het hoofd in de schoot zal leggen als de nationale kracht volledig gebroken is en zo'n oorlog zal ook ons eigen volk volkomen uitputten, zelfs als we de overwinning behalen.' in Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p.33-34

[xlix] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p.34

[l] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 406

[li] Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 408

[lii] Vgl. http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl/lichaam/monument.htm

Vgl. een beschrijving van deze periode in: Gustave Somville, Vers Liège. Le chemin du crime. Août 1914, Paris 1915 -p. 178, 185-186, 189-194; vgl. Ook Tuchman, B, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914, Amsterdam Antwerpen 2006 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 410-416

[liii] De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller. Geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bewerkt, ingeleid en van annotaties en kaarten voorzien door J.H.J. Andriessen, Soesterberg 2003 (Uitgeverij Aspekt) p. 183-184

[liv] De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller. Geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bewerkt, ingeleid en van annotaties en kaarten voorzien door J.H.J. Andriessen, Soesterberg 2003 (Uitgeverij Aspekt) p. 200-201

[lv] Manning, F., Geslacht, Amsterdam Antwerpen 2001 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 78-79

[lvi] Manning, F., Geslacht, Amsterdam Antwerpen 2001 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 180

[lvii] Manning, F., Geslacht, Amsterdam Antwerpen 2001 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 290-291

[lviii] “Toch vonden, zoals dat meestal gaat, al die nieuwe technische ontwikkelingen slechts langzaam een plaats in het voorstellingsvermogen van generaals, politici en andere betrokkenen. Er vielen tussen 1914 en 1918 vooral zoveel slachtoffers omdat telkens weer oude strategieën gecombineerd werden met ultramoderne technieken. Anders gezegd: men besefte aanvankelijk nauwelijks dat moderniteiten als het machinegeweer, het gifgas, het vliegtuig en, later, de tank een totaal nieuwe wijze van oorlogvoering met zich meebrachten. De gewone frontsoldaat had die technische 'mismatch' vaak als eerste door. Hij bleek met totaal verouderde spullen de oorlog in te zijn gestuurd, hij stond bij een gasaanval enkel met een bepiste lap voor neus en mond, hij zag hoe zijn kameraden bij een bajonetaanval als halmen werden neergemaaid door de nieuwe machinegeweren, en zijn bitterheid groeide.” in: Mak, G., In Europa. Reizen door de twintigste eeuw, Amsterdam Antwerpen, 2004 (Uitgeverij Atlas) p. 108

[lix] Vgl. de romans uit de periode tussen de oorlogen waaronder: Döblin, Alfred, Berlin Alexanderplatz. Die Geschichte vom Franz Biberkopf, Olten und Freiburg im Breisgau 1980

zie ook de gelijknamige film: Fassbinder, Werner, Berlin Alexanderplatz. Remastered, Duitdsland/Italië 1980, 6 DVD

[lx] Vgl. de beschrijvingen van Michael Burleigh over deze naoorlogsperiode in: Burleigh, M., Heilige doelen. Religie en politiek van de Europese dictators tot Al Qaida, A’dam 2007 (De Bezige Bij) p. 34-60

[lxi] Vgl. Burleigh, M., Heilige doelen. Religie en politiek van de Europese dictators tot Al Qaida, A’dam 2007 (De Bezige Bij) p. 20 die over de herdenkingsgolf spreekt die na Wereldoorlog Een uitbreekt - in Frankrijk wordt in alle 35.000 gemeenten een herdenkingsmonument opgericht. Na de oorlog waren er  28 miljoen gewonden, miljoenen krijgsgevangenen. De gesneuvelden lieten 3 miljoen weduwen achter en 6 miljoen weeskinderen, en tientallen miljoenen rouwenden en treurenden.

[lxii] Vgl. Burleigh, M., Heilige doelen. Religie en politiek van de Europese dictators tot Al Qaida, A’dam 2007 (De Bezige Bij) p. 25-27 over Italiaanse en Duitse soldaten die de basis vormen voor de nieuwe fascistische bewegingen. De “Freikorpsen”, in feite knokploegen, die worden ingezet , de verheerlijking van dit  “nieuwe” vrijbuiterleven door schrijvers. Vgl. ook Theweleit, Klaus,  Männerphantasien Bd 1 en 2 Frankfurt am Main, 1977 en 1978 (Verlag Roter Stern) die deze periode uitgebreid beschrijft met oog voor de beeldspraak en wijze waarop deze bewegingen zich manifesteren. Zijn methode had strakker gekund maar hij geeft heel veel voorbeelden ook uit de literatuur van die tijd.

[lxiii] Oudemans, Th.C.W., Omerta, Amsterdam 2008 (Uitgeverij Bert Bakker) p. 124

[lxiv] Pound, Ezra, Personae. Sämtliche Gedichte 1908-1921, Zürich-Hamburg 2006 (Arche Verlag) p. 108

[lxv] De mooiste van Salvatore Quasimodo, vertaald door Bart van den Bossche en Erik Derijcke, in een redactie van etc. Tielt, Amsterdam 2004 (Lannoo/Atlas) p. 127-129

[lxvi] Vgl. Corni, G., De getto’s van Hitler. Stemmen uit een belegerde samenleving 1939-1944, Laren 2008 (Uitgeverij Verbum)

[lxvii] “Unsere Demokratie baut sich dann auf dem Gedankenauf, dass 1. an jeder Stelle ein nicht von unten Gewählter, sondern ein von oben Auserlesener eine Verantwortung zu übernehmen hat, bis zur letzten Stelle hin; 2. dass er unbedingte Autorität nach unten und absolute Verantwortung nach oben hat, zum Unterschied von sonstigen Demokratien, die jeden von unten aussuchen, nach unten verantwortlich sein und nach oben mit Autorität ausgestattet sein lassen – eine vollkommen wahnsinnige Verkehrung jeder menschlichen Organisation [...]

Wenn überhaupt irgendwo das Talent zu der ihm gebührenden Rolle kommen kann, dann nur in solch einem autoritären Regime, da jeder in ihm weiß, dass er – wenn er einen talentierten Mann fördert – nicht selbst durch eine Abstimmung der Mehrheit aus dem Sattel gehoben wird. Die Demokratie im üblichen Sinne dagegen ist der Todfeind aller Talente, da die Mehrheit stets untalentiert ist und daher stets Angst vor dem Talent hat. In ihr läuft der Ortsgruppenführer, der ein Talent heranholt, Gefahr, dass dies Talent die Ortsgruppe mobilisiert und eines Tages die sogenannten Generalmitgliederversammlung einberuft, die den alten Ortsgruppenführer im Wege der Abstimmung heraussetzt. Ähnlich haben wir ja die Demokratie mit der Demokratie besiegt.

Wenn Führung und Volk geschlossen sind, spielt ein Irrtum keine Rolle, da es immer nur einen Weg gibt und damit selbst der Irrtum tausendmal besser ist als zwei Erkenntnisse, nach denen jeder tun kann, was er will, also besser als die Zügellosigkeit aller [...]

Noch eine besondere Aufgabe haben wir: die Beseitigung all jener Minderwertigkeitsempfindungen, die in unserem Volk waren, ihm künstlich angezüchtet wurden, da die früheren Regierungen sie notwendig benötigten und brauchten. Wir sind Todfeinde der sogenannten halben, weil falschen Bescheidenheit, die da sagt, wir wollen uns etwas zurückhalten, man braucht doch nicht immer so in den Vordergrund zu treten, wir wollen nicht immer von uns reden und alles übertrumpfen, wir wollen bieder bleiben und nicht übel auffallen, man soll uns mehr lieben, die an- deren sollen uns nicht mit schiefen Augen ansehen. Im Gegenteil: Wir wollen unser Volk ganz nach vorne führen! Ob sie uns lieben, das ist uns einerlei! Wenn sie uns nur respektieren! Ob sie uns hassen, ist uns einerlei, wenn sie uns nur fürchten!”  Aus einer Geheimrede Hitlers über »unsere Demokratie« (23. November 1937) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 155

[lxviii] Aus dem Vortrag Himmlers auf dem nationalpolitischen Lehrgang der Wehrmacht über »Wesen und Aufgabe der SS und der Polizei« (Januar 1937) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 144

[lxix] Het effect van de propaganda werd ook nauwkeurig bijgehouden vgl. de commentaren in: Boberach, H. (Hrsg.), Meldungen aus dem Reich 1938-1945. Die geheimen Lageberichte des Sicherheitsdienst des SS. 17 Bd., Herrsching 1984 (Manfred Pawlak Verlagsgesellschaft)

[lxx] In de opzet van deze propaganda werd de wereld verdeeld in voor- en tegenstanders, in vrienden en vijanden van het regiem dat zichzelf identificeerde met het historische Duitsland en het Duitse volk. Loyaliteit aan volk en vaderland werd inzet van de propaganda. De waarneming van de werkelijkheid wordt geïnstrumentaliseerd, want het regiem weet wat goed en fout is en hoe tegen foute interpretaties moet worden opgetreden, dat wil zeggen tegen openlijke en verborgen tegenstanders.

[lxxi] Vgl. Klemperer, V., Tagebücher 1933-1945, Herausgegebe von Walter Nowojski unter Mitarbeit von Hadwig Klemperer, Berlin 2006 Bd I-VIII, (Aufbau Taschenbuch Verlag)

Vgl. ook verraad van Joden in Nederland tijdens de oorlog in: Liempt, van A., Kopfgeld. Bezahlte Denunziation von Juden in den besetzen Niederlanden, München 2005, (Siedler)

[lxxii] Eekhaut, G., Op het lijf geschreven. Het lichaam als private obsessie, Kapellen 2003 (Uitgeverij Pelckmans) p. 114-115

[lxxiii] Victor Klemperer, Die Tagebücher (1933-1945), Kommentierte Gesammtausgabe, Berlin 2007 (Directmedia) p. 2676

[lxxiv] Vgl. “Die Sprach des 3. Reiches begann lyrisch-ekstatisch, dann wurde sie Kriegssprache, dann glitt sie ins Mechanische-Materialistische.” in: Victor Klemperer, Die Tagebücher (1933-1945), Kommentierte Gesammtausgabe, Berlin 2007 (Directmedia) p. 366 en in 1934 schrijft hij p. 392:  “Sprache d. 3. Reichs. *H. (Hitler) sagte auch, als er zur Jugend in Nürnberg sprach: „Sie singen gemeinsam Lieder“. Alles zielt auf Übertäubung des Individuums im Kollektivismus. – Ganz allgemein Rolle des Radio - Radio beachten! Nicht wie andere technische Errungenschaften: neue Stoffe, neue Philosophie. Sondern: neuer Stil. Gedrucktes verdrängt. Oratorisch, mündlich. Primitiv – auf höherer Stufe!”

[lxxv] Vgl. Burleigh, M., Het Derde Rijk. Een nieuwe geschiedenis, A’dam 2008 (De Bezige Bij)

Burleigh, M., Heilige doelen. Religie en politiek van de Europese dictators tot Al Qaida, A’dam 2007 (De Bezige Bij)

[lxxvi] Vgl. Hilsenrath, E., Der Nazi und der Friseur. Roman, Frankfurt am Main 1980 (Fischer) - daarin beschrijft de auteur een rede van Hitler op een berg in 1932 en hij vergelijkt dat verhaal met de hoop die losgemaakt werd tijdens de bergrede van Jezus van Nazareth. Alleen de toon en de inhoud was anders : “Hier sind die Unzufriedenen ganz Deutschlands versammelt[...] Adolf Hitler...er is der große Heiler [...]Hier sind alle versammelt, die irgendwann mal eins aufs Dach gekriegt haben - vom lieben Gott oder von den Menschen...Hier sind die verkrachten Existenzen versammelt - auch die Kurzatmigen und die Arschlecker von Beruf, Leute die im Leben nicht richtig vorwärtskamen, entweder, weil sie keine Puste hatten und das planmäßige Kriechen nie richtig gelernt hatten, oder weil der Arsch, den sie leckten, unersättlich war.[...] Und der Führer sprach: “selig sind die Starken, denn sie werden das Erdreich besitzen.” [...] “Selig ist der Stock in der Hand des wahren Meisters...In der Hand des  wahren Meisters wird der Stock zum Schwert, auf dass die Hand herrsche bis in alle Ewigkeit. Amen.” uit: p.33-42 Kort gezegd komt het hierop neer: allen die door het leven of hoe dan ook geslagen zijn krijgen nu de kans om zelf de stok ter hand te nemen en slagen uit te delen. Deze messiaanse boodschap gaat erin als koek.

[lxxvii] Vgl. Friedländer, Saul, Das Dritte Reich und die Juden. Gesamtausgabe, München 2008 (DTV)

[lxxviii] Vgl. Hilberg, R., Die Vernichtung der europäischen Juden, 3 Bd., Frankfurt am Main 1990 (Fischer)

[lxxix] “Es werden in kürzester Frist in ganz Deutschland Aktionen gegen Juden, insbesondere gegen deren Synagogen stattfinden. Sie sind nicht zu stören. Jedoch ist im Benehmen mit der Ordnungspolizei sicherzustellen, daß Plünderungen und sonstige besondere Ausschreitungen unterbunden werden können. Sofern sich in Synagogen wichtiges Archivmaterial befindet, ist dieses durch eine sofortige Maßnahme sicherzustellen. Es ist vorzubereiten die Festnahme von etwa 20–30.000 Juden im Reiche. Es sind auszuwählen vor allem vermögende Juden. Nähere Anordnungen ergehen noch im Laufe dieser Nacht. Sollten bei den kommenden Aktionen Juden im Besitz von Waffen angetroffen werden, so sind die schärfsten Maßnahmen durchzuführen. Zu den Gesamtaktionen können herangezogen werden Verfügungstruppen der SS sowie Allgemeine SS.”  Aus einer geheimen Weisung der Gestapo-Zentrale zur Organisierung der »Kristallnacht«(9. November 1938) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 177

[lxxx] “In zahlreichen Städten haben sich Plünderungen jüdischer Läden und Geschäftshäuser ereignet [...]Der Umfang der Zerstörungen jüdischer Geschäfte und Wohnungen lässt sich bisher ziffernmäßig noch nicht belegen. Die in den Berichten aufgeführten Ziffern: 815 zerstörte Geschäfte, 29 in Brand gesteckte oder sonst zerstörte Warenhäuser, 171 in Brand gesetzte oder zerstörte Wohnhäuser, geben, soweit es sich nicht um Brandlegungen handelt, nur einen Teil der wirklich vorliegenden Zerstörungen wieder [...]

Die angegebenen Ziffern dürften daher um ein Vielfaches überstiegen werden. An Synagogen wurden 191 in Brand gesteckt, weitere 76 vollständig demoliert. Ferner wurden 11 Gemeindehäuser, Friedhofskapellen und dergleichen in Brand gesetzt und weitere 3 völlig zerstört.

Festgenommen wurden rund 20.000 Juden, ferner 7 Arier und 3 Ausländer. Letztere wurden zur eigenen Sicherheit in Haft genommen. An Todesfällen wurden 36, an Schwerverletzten ebenfalls 36 gemeldet. Die Getöteten bzw. Verletzten sind Juden.” Aus einem Bericht des Chefs der Sicherheitspolizei und des SS-Sicherheitsdienstes (SD), Reinhard Heydrich, über die »Kristallnacht« (11. November 1938) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 179

Vgl. Kaplan, M., Der Mut zum Überleben. Jüdische Frauen und ihre Familien in Nazideutschland, Berlin 2001, (Aufbau-Verlag) p. 178-182

[lxxxi]  “1. Aus der Verordnung über eine Sühneleistung der Juden deutscher Staatsangehörigkeit

Die feindliche Haltung des Judentums gegenüber dem deutschen Volk und Reich, die auch vor feigen Mordtaten nicht zurückschreckt, erfordert entschiedene Abwehr und harte Sühne. Ich bestimme daher auf Grund der Verordnung zur Durchführung des Vierjahresplans vom 18. Oktober 1936 (Reichsgesetzbl. I S. 887) das Folgende:

§ 1. Den Juden deutscher Staatsangehörigkeit in ihrer Gesamtheit wird die Zahlung einer Kontribution von 1.000.000.000 Reichsmark an das Deutsche Reich auferlegt.

2. Aus der Verordnung zur Ausschaltung der Juden aus dem deutschen Wirtschaftsleben

§ 1. (1) Juden [...] ist vom 1. Januar 1939 ab der Betrieb von Einzelhandelsverkaufsstellen, Versandgeschäften oder Bestellkontoren sowie der selbständige Betrieb eines Handwerks untersagt(2) Ferner ist ihnen mit Wirkung vom gleichen Tag verboten, auf Märkten aller Art, Messen oder Ausstellungen Waren oder gewerbliche Leistungen anzubieten, dafür zu werben oder Bestellungen darauf anzunehmen. (3) Jüdische Gewerbebetriebe [...], die entgegen diesem Verbot geführt werden, sind polizeilich zu schließen.

§ 2. (1) Ein Jude kann vom 1. Januar 1939 ab nicht mehr Betriebsführer [...] sein. (2) 1st eine Jude als leitender Angestellter in einem Wirtschaftsunternehmen tätig, so kann ihm mit einer Frist von sechs Wochen gekündigt werden. Mit Ablauf der Kündigungsfrist erlöschen alle Ansprüche des Dienstverpflichteten aus dem gekündigten Vertrage, insbesondere auch Ansprüche auf Versorgungsbezüge und Abfindungen.

§ 3 (1) Ein Jude kann nicht Mitglied einer Genossenschaft sein.(2) Jüdische Mitglieder von Genossenschaften scheiden zum 31. Dezember 1938 aus. Eine besondere Kündigung ist nicht erforderlich.

3. Aus der Verordnung zur Wiederherstellung des Straßenbildes bei jüdischen Gewerbebetrieben

§ 1. Alle Schäden, welche durch die Empörung des Volkes über die Hetze des internationalen Judentums gegen das nationalsozialistische Deutschland am 8., 9. und 10. November 1938 an jüdischen Gewerbebetrieben und Wohnungen entstanden sind, sind von dem jüdischen Inhaber oder jüdischen Gewerbetreibenden sofort zu beseitigen.

§ 2.(1) Die Kosten der Wiederherstellung trägt der Inhaber der betroffenen jüdischen Gewerbebetriebe und Wohnungen. (2) Versicherungsansprüche von Juden deutscher Staatsangehörigkeit werden zugunsten des Reichs beschlagnahmt.”

Aus antijüdischen Verordnungen Görings (12. November 1938) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 180

[lxxxii] Het opperbevel van  het leger, de Wehrmacht hield alle gebeurtenissen bij in een dagboek: vgl. Schramm, P.E., Kriegstagebuch des Oberkommandos der Wehrmacht 1940-1945, 8 Bd., München 1982 (Manfred Pawlak Verlagsgesellschaft)

[lxxxiii] “Polen is na een militaire campagne van achttien dagen verslagen. Dat was de beloning voor eeuwen van Duitse arbeid op deze oostelijke bodem. Wat Duitse vlijt in de loop der tijden had geschapen, keerde terug naar zijn oorspronkelijk doel, en ging opnieuw deel uitmaken van het Duitse Lebensraum. De strijd moest veel omverwerpen, moest breken en vernielen. De wederopbouw zal de winst van de strijd consolideren en deze tot blijvend deel van het Grootduitse Rijk maken. Eeuwenlang is het Duitse Oosten de bestemming van het Duitse volk geweest. En dat zal zo blijven in de eeuwen die komen […] De nieuwe ordening van de ruimte in het Oosten heeft niet alleen invloed op het Duits-Poolse probleem en op hetgeen door andere etnische minderheden wordt veroorzaakt, maar omdat men in het Oosten de grootste concentratie van joden vindt, komt ook de oplossing van het joodse vraagstuk aan de orde. De joden zijn niet als kolonisten naar het Oosten getrokken, maar als parasieten […] het oosten van Europa is een reservoir en lanceerbasis van het jodendom geworden. Nieuwe horden joden hebben herhaaldelijk vanuit het Oosten de wereld overvallen. De horden joden die Duitsland en Oostenrijk na de Wereldoorlog hebben overstroomd, kwamen eveneens uit het Oosten […] Het probleem van de bestrijding van epidemieën in het Oosten hangt nauw samen met de oplossing van het joodse vraagstuk. Epidemieën zijn in Oost-Europa altijd meer frequent en heviger geweest dan in andere streken van dit werelddeel.

[...] Ze kwamen voort uit de gettos. Om deze vloek onder controle te houden hebben we een totale oorlog in het Oosten tegen epidemieën moeten ontketenen. Daartoe behoren inenting en andere sanitaire maatregelen. [...] Het jodendom was een van de hoofdoorzaken van de ellendige situatie in het voormalige Polen, en de samenwerking van joden en Polen heeft de beruchte' Poolse Landdagtoestanden opgeleverd. Tijdens de Poolse campagne heeft zelfs de eenvoudigste Duitse militair zelf kunnen ontdekken van welke aard die toestanden zijn. In het heroverde Oosten vindt een omvangrijke reconstructie plaats, die erop gericht is die Poolse toestanden af te schaffen en te vervangen door de Duitse orde en Duitse beschaving, om de onderdrukte en tot slaaf gemaakt Duitsers van het Oosten te verheffen en uiteindelijk om deze aarde voor eens en voor altijd te verbinden met het Duitse volk” in: Van Pelt, R.J., Dworkj, D., Auschwitz van 1270 tot heden, Amsterdam 1997 (Boom) p. 21-23

[lxxxiv] Vgl. Geiss, I., Jacobmeyer, W. (Hrsg.), Deutsche Politik in Polen 1939-1945. Aus dem Diensttagebuch von Hans Frank, Generalgouverneur in Polen, Opladen 1980 (Leske Verlag und Budrich) p. 28-29

[lxxxv] Vgl. Longerich, P., Heinrich Himmler. Biographie, München 2008, (Siedler)

Longerich, P., Joseph Goebbels. Biographie, München 2010 (Siedler Verlag)

Longerich, P., “Davon haben wit nichts gewusst!“ Die Deutschen und die Judenverfolgung 1933-1945, München 2007 (Siedler Verlag - Pantheon)

[lxxxvi] Pizarnik, Alejandra, Genizas Asche, Asche, 1956-1971, Zürich 2002 (Amman Verlag) p. 51

[lxxxviii] “Bergen-Belsen was in de terminologie der Nazi's - tenminste voor zoover het onderhavige deel betreft -                geen eigenlijk concentratiekamp. Het was aanvankelijk een "Austauschlager" d.w.z. dat al die elementen, van wie te verwachten viel, dat zij tegen Rijksduitschers in het buitenland konden worden uitgewisseld, daar geconcentreerd werden. Later, toen de "Austausch" grootendeels een illusie bleek, en ook andere groepen, waarmee men zich kennelijk geen raad wist, naar Bergen-Belsen gebracht werden, noemden de Duitschers het kamp een "Aufenthaltslager". Het was en het bleef echter een "Vorzugslager" hetgeen een relatief maar verre van fictief begrip was, ondanks het feit, dat het kamp in menig opzicht, vooral op den duur, veel slechter was dan andere kampen.

Er bestonden belangrijke voordeelen, waarvan het grootste was, dat de familiën niet uiteengerukt werden. Dat gebeurde alleen als de hooge leiding in Berlijn t.a.v. een groep had uit­ gemaakt, dat deze niet langer voor de Vorzugsbehandeling in aanmerking kwam. Dan vertrok er een z.g. "slecht" transport, en dan konden zij, die buiten het kamp aan het werk waren, zien, hoe mannen en vrouwen ieder een eigen weg moesten gaan, naar een doel, dat niemand kende, dat niemand zich realiseerde, en waarvandaan zij niet terug zouden keeren. En dan konden zij ook het verheffende schouwspel gadeslaan van moeders, die haar kinderen ten afscheid zoenden. Dat waren zoo de finesses van het Duitsche idealisme.”  in Herzberg, A, J., Amor Fati. Zeven opstellen over Bergen-Belsen, Amsterdam 1947 (Moussault’s uitgeverij) p. 24-25

[xc] Himmler, chef van de Gestapo zegt hierover in 1937 met het oog op een komende oorlog: “Zu diesen Konzentrationslagern darf ich ein paar Zahlen anführen. Wir haben heute in Deutschland noch folgende Konzentrationslager – ich darf gleich sagen, ich glaube nicht, dass sie weniger werden, sondern ich bin der Ansicht, dass sie für bestimmte Fälle mehr werden müssen –:1. Dachau bei München, 2. Sachsenhausen in der Nähe von Berlin. Das ist das frühere Lager Esterweg im Emsland. Dieses Lager in Emsland habe ich aufgelöst auf die Vorstellungen des Reichsarbeitsführers (...) hin, der mir ebenso wie die Justiz erklärte, es sei falsch, wenn man dem einen sage, der Dienst im Moor, ein Land urbar zu machen, sei ein Ehrendienst, während man den andern als Häftling dort hinsetze und ihm sage: Dir, Bursche, werde ich schon Mores beibringen, dich schicke ich ins Moor. Das ist in der Tat unlogisch, und ich habe nach einem halben oder dreiviertel Jahr das Lager in Esterwege aufgelöst und habe es in die Nähe von Oranienburg nach Sachsenhausen verlegt. Dann besteht ein Lager in Lichtenburg bei Torgau, ein Lager in Sachsenburg bei Chemnitz und außerdem noch ein paar kleinere Lager. Der Stand der Schutzhäftlinge ist rund 8.000 [...]

Bewacht werden die Konzentrationslager von diesen Totenkopfverbänden [...]

Die Lager sind umzäunt mit Stacheldraht, mit elektrischem Draht. Es ist selbstverständlich: Wenn einer eine verbotene Zone oder einen verbotenen Weg betritt, wird geschossen. Wenn einer auf dem Arbeitsplatz, sagen wir im Moor oder beim Straßenbau oder sonstwo, auch nur den Ansatz macht zu fliehen, wird geschossen. Wenn einer frech und widersetzlich ist, und das kommt hier und da vor, [...] kommt er entweder in Einzelhaft, in Dunkelarrest bei Wasser und Brot, oder – ich bitte, hier nicht zu er- schrecken, ich habe die alte Zuchthausordnung Preußens vom Jahre 1914 bis 1918 genommen – er kann in schlimmen Fällen 25 Hiebe bekommen. Grausamkeiten, sadistische Sachen, wie es die Auslandspresse vielfach behauptet, sind dabei völlig unmöglich. Erstens kann die Strafe nur der Inspekteur sämtlicher Lager verhängen, also nicht einmal der Lagerkommandant, zweitens wird die Strafe vor einer Bewachungskompanie vollzogen, so dass also immer ein Zug, 20 bis 24 Leute, dabei sind, schließlich ist bei der Bestrafung ein Arzt dabei und ein Protokollführer. Also mehr kann man an Genauigkeit nicht tun.

Auch hier möchte ich sagen: Diese Dinge sind notwendig, denn sonst würde man diese Verbrecher niemals im  Zaum halten können. Für den Fall eines Krieges müssen wir uns klar darüber sein, dass wir eine recht erhebliche Anzahl unsicherer Kantonisten hier hineinnehmen müssen, wenn wir uns nicht den Nährboden für höchst unangenehme Entwicklungen im Falle eines Krieges schaffen wollen. Aus dem Vortrag Himmlers auf dem nationalpolitischen Lehrgang der Wehrmacht über »Wesen und Aufgabe der SS und der Polizei« (Januar 1937) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 114

[xci] In der Zeit vom 1. November – 4. Dezember 1941 werden durch die Sicherheitspolizei aus dem Altreich, der Ostmark und dem Protektorat Böhmen und Mähren 50.000 Juden nach dem Osten in die Gegend um Riga und um Minsk abgeschoben. Die Aussiedelungen erfolgen in Transportzügen der Reichsbahn zu je 1.000 Personen. Die Transportzüge werden in Berlin, Hamburg, Hannover, Dortmund, Münster, Düsseldorf, Köln, Frankfurt/M., Kassel, Stuttgart, Nürnberg, München, Wien, Breslau, Prag und Brünn zusammengestellt. Aus dem Befehl des Chefs der Ordnungspolizei, Kurt Daluege, über die Deportation deutscher Juden (24. Oktober 1941) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 276

[xcii] Vgl. Hilsenrath, E., Nacht. Roman, Frankfurt am Main 1980 (Fischer)

[xciii] Vgl. Aly, G.,  Heim, S., Vordenker der Vernichtung. Auschwitz und die deutschen Pläne für eine neue europäische Ordnung, Frankfurt am Main 2004 (Fischer Taschenbuch Verlag)

[xciv] “Während die Wagen der ersten Serie auch bei nicht allzu schlechter Wetterlage eingesetzt werden können, liegen die Wagen der zweiten Serie (Saurer) bei Regenwetter vollkommen fest. Wenn es z. B. nur eine halbe Stunde geregnet hat, kann der Wagen nicht ein gesetzt werden, weil er glatt wegrutscht. Benutzbar ist er nur bei ganz trockenem Wetter. Es tritt nun die Frage auf, ob man den Wagen nur am Orte der Exekution im Stand benutzen kann. Erstens muss der Wagen an diesen Ort gebracht werden, was nur bei guter Wetterlage möglich ist. Der Ort der Exekution befindet sich aber meistens 10–15 km abseits der Verkehrswege und ist durch seine Lage schon schwer zugänglich, bei feuchtem oder nassem Wetter überhaupt nicht. Fährt oder führt man die zu Exekutieren- den an diesen Ort, so merken sie sofort, was los ist, und werden unruhig, was nach Möglichkeit vermieden werden soll. Es bleibt nur der eine Weg übrig, sie am Sammelorte einzuladen und dann hinauszufahren.

Die Wagen der Gruppe D habe ich als Wohnwagen tarnen lassen, indem ich an den kleinen Wagen auf jeder Seite einen, an den großen auf jeder Seite zwei Fensterläden anbringen ließ, wie man sie oft an den Bauernhäusern auf dem Lande sieht. Die Wagen waren so bekannt geworden, dass nicht nur die Behörden, sondern auch die Zivilbevölkerung den Wagen als »Todeswagen« bezeichneten, sobald eines dieser Fahrzeuge auftauchte. Nach meiner Meinung kann er auch getarnt nicht auf die Dauer verheimlicht werden [...]

Die Vergasung wird durchweg nicht richtig vorgenommen. Um die Aktion möglichst schnell zu beenden, geben die Fahrer durchweg Vollgas. Durch diese Maßnahme erleiden die zu Exekutierenden den Erstickungstod und nicht, wie vorgesehen, den Einschläferungstod. Meine Anleitungen haben nun ergeben, dass bei richtiger Einstellung der Hebel der Tod schneller eintritt und die Häftlinge friedlich einschlafen. Verzerrte Gesichter und Ausscheidungen, wie sie seither gesehen wurden, konnten nicht mehr bemerkt werden.”  Aus einem Geheimbericht des SS-Untersturmführers Dr. med. Becker über den Einsatz von Vergasungswagen zur Massenvernichtung in der Sowjetunion (16. Mai 1942) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 301

[xcv] Vgl. Van Pelt, R.j., Dworkj, D., Auschwitz van 1270 tot heden, Amsterdam 1997 (Boom)

Rees, L., Auschwitz, Amsterdam 2005 (Anthos) en Rees, L. Auschwitz. Geschichte eines Verbrechens, Berlin 2007 (List Ullstein Verlag)

Auschwitz. The Nazis and the ‘final Solution’, 2 dvd, (6x 50 min) BBC 2006

Concentratiekampen, Auschwitz, Neuengamme, Bergen-Belsen, Theresienstadt, (212 min) 2009 Tijdsbeeld media BV

[xcvi] Vgl. Kielar, W., Anus Mundi. Fünf Jahre Auswitz, Frankfurt am Main 1982 (Fischer Taschenbuch Verlag)

Müller, Ph., Sonderbehandlung. Drei Jahren in den Krematorien und Gaskammern von Auschwitz, München 1979 (Verlag Steinhausen)

Borowski, Tadeusz, Bei uns in Auschwitz. Aus dem Polnischen vopn Friedrich Griese, München 2008 (btb-Verlag)

[xcvii] Vgl. de plannen en tekeningen in: Van Pelt, R.j., Dworkj, D., Auschwitz van 1270 tot heden, Amsterdam 1997 (Boom)

[xcviii] Vgl. Levi, P., Die Untergangenen und die Geretteten, München wien 1990, (Carl Hanser Verlag)

Levi, P., Ist das ein Mensch? Die Atempause, München Wien 1986 (Carl Hanser Verlag)

Vgl. ook: OMGUS, Ermittlungen gegen die I.G. Farbenindustrie AG september 1945, Nördlingen 1986 (Franz Greno)

[xcix] Das Auschwitz Album. Geschichte eines Transports, Göttingen 2005 (Wallstein Verlag)

vgl. ook het album met foto’s uit het dagelijks leven van K. Höcker in Auschwitz: http://www.ushmm.org/museum/exhibit/online/ssalbum/

[c] Vgl.Borszat, M., (Hrsg.), Rudolf Höss, Kommandant in Auschwitz. Autobiographische Augfzeichnungen, München 1985 (Deutscher Taschenbuch Verlag)

[ci] “Mensen transporteren om ze te verbranden, daar hadden we nog nooit van gehoord” geciteerd in: Lanzman, C., Shoah, 4 dvd (550 min), Les films Aleph 2005

“Zij waren trots op hun werk. Ze dachten dat ze iets nuttigs deden. Een ongelooflijke taak waarvoor Europa ons dankbaar zal zijn” Rode Kruis man Rossel in Auschwitz in gesprek met kampcommandant - in: Lanzman, C., Un Vivant Qui Passe 1997, (65 min) Les films Aleph 2005

[cii] “Die Federführung bei der Bearbeitung der Endlösung der Judenfrage liegt ohne Rücksicht auf geographische Grenzen zentral beim Reichsführer SS und Chef der Deutschen Polizei [Chef der Sicherheitspolizei und des SD] [...] III. An Stelle der Auswanderung ist nunmehr als weitere Lösungsmöglichkeit nach entsprechender vorheriger Genehmigung durch den Führer die Evakuierung der Juden nach dem Osten getreten.

Diese Aktionen sind jedoch lediglich als Ausweichmöglichkeiten anzusprechen, doch werden hier bereits jene praktischen Erfahrungen gesammelt, die im Hinblick auf die kommende Endlösung der Judenfrage von wichtiger Bedeutung sind.

Im Zuge dieser Endlösung der europäischen Judenfrage kommen rund 11 Millionen Juden in Betracht[...] Unter entsprechender Leitung sollen im Zuge der Endlösung die Juden in geeigneter Weise im Osten zum Arbeitseinsatz kommen. In großen Arbeitskolonnen, unter Trennung der Geschlechter, werden die arbeitsfähigen Juden straßenbauend in diese Gebiete geführt, wobei zweifellos ein Großteil durch natürliche Verminderung ausfallen wird.

Der allfällig endlich verbleibende Restbestand wird, da es sich bei diesen zweifellos um den widerstandsfähigsten Teil handelt, entsprechend behandelt werden müssen, da dieser, eine natürliche Auslese darstellend, bei Freilassung als Keimzelle eines neuen jüdischen Aufbaus anzusprechen ist. (Siehe die Erfahrung der Geschichte.)

Im Zuge der praktischen Durchführung der Endlösung wird Europa von Westen nach Osten durchgekämmt. Das Reichsgebiet einschließlich Protektorat Böhmen und Mähren wird, allein schon aus Gründen der Wohnungsfrage und sonstiger sozialpolitischen Notwendigkeiten, vorweggenommen werden müssen. Die evakuierten Juden werden zunächst Zug um Zug in sogenannte Durchgangsghettos verbracht, um von dort aus weiter nach dem Osten transportiert zu werden.”

Aus dem Protokoll der sogenannten Wannsee-Konferenz über die »Endlösung der Judenfrage« (20. Januar 1942) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 284

[ciii] “Voor Hitler was de Europese beschaving het culminatiepunt van menselijke ontwikkeling en berustte ze op een fundament van 'nordisch bloed'. Hitler was goed op de hoogte van Gobineau's sociale theorieën. Hij meende dat zolang de 'noordse', of 'arische' groep de zuiverheid van zijn bloed had bewaard, alles goed was geweest. Deze mensen hadden echter van zichzelf 'bastaarden gemaakt, of laten maken', en dit had een rampzalig uitwerking gehad. 'Zuiverheid van bloed' was de sleutel. Verlies van zuiverheid betekende een ramp. 'Het vermengen van bloed en het daardoor veroorzaakte dalen van het rassenniveau is de enige oorzaak van het uitsterven van alle culturen, want de mensen gaan niet aan verloren oorlogen te gronde, maar aan het verlies van weerstandsvermogen, dat alleen zuiver bloed eigen is,' beweerde Hitler. 'Wat op deze wereld geen goed ras is, is waardeloos.' Sterker nog, het behoud van zuiverheid van bloed was voor Hitler zonder meer een heilige verplichting, waarover hij in uitgesproken religieuze termen sprak. 'Bloedschande en ontheiliging van het ras zijn de vroegste zonden in deze wereld, ' verkondigde hij. Verlies van zuiverheid heeft geleid tot degeneratie van ras, culturele neergang en ellende voor het individu.”

“Alleen de verloren zuiverheid van het bloed vernietigt het innerlijk geluk voor altijd, het stort de mens voor eeuwig in de afgrond, en de gevolgen kunnen nooit meer uit lichaam en geest worden verwijderd. Alleen door alle andere problemen van het leven in het licht van dit ene vraagstuk te onderzoeken en te vergelijken zullen we zien hoe onbeduidend ze volgens deze maatstaf zijn. In tijd zijn ze allemaal begrensd- maar de kwestie van het wel of niet behouden van de zuiverheid van het bloed zal net zo lang bestaan als er mensen zijn.”

in: Dwork, d., Van Pelt, R.J., De Holocaust. Een geschiedenis, Amsterdam 2002 (Boom) p. 31-32

“Aus einem Befehl Hitlers zur »Pflege des Rassegedankens« und der »Führerauslese« in der Wehrmacht (13. Mai 1936):

“Die nationalsozialistische Staatsauffassung verlangt die Pflege des Rassegedankens und eine Führerauslese aus Menschen rein deutschen oder artverwandten Blutes.

Für die Wehrmacht ist es daher eine selbstverständliche Verpflichtung, ihre Berufssoldaten und damit ihre Führer und Unterführer über die gesetzlichen Vorschriften hinaus nach schärfsten rassischen Gesichtspunkten auszuwählen und dadurch als Erzieher in der soldatischen Schule des Volkes eine Auslese besten deutschen Volkstums zu erhalten. Ich erwarte, daß die Wehrmacht sich dieser Verantwortung für Volk und Vaterland bewusst ist.”

Aus einem Tätigkeitsbericht des »Lebensborn e. V.« (1939):

“832 wertvolle deutsche Frauen haben sich, obwohl sie nicht verheiratet waren, entschlossen, trotz schwerster Opfer der Nation ein Kind zu schenken und nicht den Weg der Abtreibung zu gehen, welchen heute noch jährlich etwa 600.000 Frauen im Reich beschreiten. Unter Zugrundelegung, daß jedes geborene Kind durch seine spätere Arbeitskraft der deutschen Wirtschaft einen Betrag von 100.000 Reichsmark zuführt, wurden durch die Tätigkeit des »Lebensborn e. V.« allein bis jetzt für die deutsche Volkszukunft Werte in Höhe von 83.200.000 Reichsmark geschaffen.”  in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 221

[civ] Een begrip ontleend aan Friedrich Nietzsche die daar echter geen rassenvraagstuk aan verbond en de niet de relatie legde tussen Übermensch en ras. Als de nazi’s Nietzsche beter hadden gelezen hadden ze geweten dat hij daar niets van moest hebben: “Anti-Darwin. - Was den berühmten Kampf um's Leben betrifft, so scheint er mir einstweilen mehr behauptet als bewiesen. Er kommt vor, aber als Ausnahme; der Gesammt-Aspekt des Lebens ist nicht die Nothlage, die Hungerlage, vielmehr der Reichthum, die Üppigkeit, selbst die absurde Verschwendung, - wo gekämpft wird, kämpft man um Macht ... Man soll nicht Malthus mit der Natur verwechseln. - Gesetzt aber, es giebt diesen Kampf - und in der That, er kommt vor -, so läuft er leider umgekehrt aus als die Schule Darwin's wünscht, als man vielleicht mit ihr wünschen dürfte: nämlich zu Ungunsten der Starken, der Bevorrechtigten, der glücklichen Ausnahmen. Die Gattungen wachsen nicht in der Vollkommenheit: die Schwachen werden immer wieder über die Starken Herr, - das macht, sie sind die grosse Zahl, sie sind auch klüger ... Darwin hat den Geist vergessen (- das ist englisch!), die Schwachen haben mehr Geist ... Man muss Geist nöthig haben, um Geist zu bekommen, - man verliert ihn, wenn man ihn nicht mehr nöthig hat. Wer die Stärke hat, entschlägt sich des Geistes (- "lass fahren dahin! denkt man heute in Deutschland - das Reich muss uns doch bleiben" ... ). Ich verstehe unter Geist, wie man sieht, die Vorsicht, die Geduld, die List, die Verstellung, die grosse Selbstbeherrschung und Alles, was mimicry ist (zu letzterem gehört ein grosser Theil der sogenannten Tugend).”

in: Nietzsche, F., Götzendämmerung, Der Antichrist, Ecce Homo, Gedichte, Stuttgart 1964, (Alfred Kröner Verlag) p. 139-140

[cv] “De 'inwendige ariër' was de held, de man die vecht, de soldaat. 'Ariër zijn betekent heroïsch leven, zoals Beethoven het in zijn Eroica heeft geschilderd, en niet het geluk van de massa, de kudde.' Bedwelmende woorden waren dit ongetwijfeld, en in een maatschappij die de filosoof Friedrich Nietzsche onder haar grootste zonen telde niet tot dovemansoren gericht. Net als veel van zijn tijdgenoten verdroot het Nietzsche dat hij in een tijd van algehele instorting leefde. Het probleem was volgens hem het christendom, dat een verachtelijke cultuur van middelmatigheid had voortgebracht. Het christendom hield zieligen en zwakken in ere, en kende de lankmoedigen en de zachtaardigen een zekere waarde toe. Nietzsche daarentegen wilde een nieuwe mens, een trotse, krachtige mens, een Übermensch die van de leer van het christendom niets moest hebben.  Als er Übermenschen waren, moesten er echter ook Untermenschen bestaan, en als de Duitsers, met hun 'arisch' bloed de Übermenschen waren, kostte het de nazi's weinig tijd vast te stellen dat de joden de Untermenschen waren.

Veel van de maar al te overtuigende onzin die nazi-filosofen als wijsheid hebben uitgekraamd en door nazi-propagandisten als waarheid is verkondigd, was van Gobineau en selectief uitgelegde teksten van Nietzsche afkomstig. Gobineau en Nietzsche waren echter geen van beiden antisemieten. Voor alle duidelijkheid: Gobineau was een racist en Nietzsche stond, als tegenstander van bijbelse religie in het algemeen, onverzoenlijk tegenover het jodendom als religie, maar op dat moment in de geschiedenis waren racisme en anti-judaïsme nog niet tot antisemitisme versmolten.

Het was in de kring rond Wagner dat het antisemitisme voor het eerst met zoveel woorden zijn intrede deed in de racistisch debatten. De gedachte de Duitser met de ideale 'ariër' te vereenzelvigen was in feite afkomstig van zijn in Engeland geboren schoonzoon Houston Stewart Chamberlain. Terwijl Gobineau meende dat geschiedenis de strijd was tussen rassen, versimpelde Chamberlain de kern van de zaak in zijn invloedrijke boek Der Grundlagen des Neunzehnten Jahrhunderts. Voor hem was de geschiedenis een strijd tussen het arische en noordse type en de jood, russen ras en 'tegenras'. De joden hadden daarin de overhand. Volgens Chamberlain waren de joden erop uit macht over de niet-joden te verwerven en hun heerschappij over de wereld te vestigen. Ze beseften, redeneerde hij, dat de zuiverheid van het eigen ras de sleutel was tot hun macht. Vreemd genoeg vervolgde Chamberlain zijn betoog met de bewering dat de joden ook probeerden andere rassen met hun bloed te bezoedelen. Hoe konden de joden nu hun bloed zuiver houden en het tegelijkertijd met dat van andere rassen vermengen? Steeds dieper reikend zei Chamberlain dat de kern van het verhaal simpel was: 'De voornaamste stam blijft absoluut zuiver, daar komt geen druppel vreemd bloed in.' Tegelijkertijd echter 'zijn er duizenden afgesneden die gebruikt worden om de Indo-europeanen met joods bloed te besmetten'. De emancipatie van de joden had dit mogelijk gemaakt, en Chamberlain voorspelde dat de joden binnen een paar eeuwen het enige zuivere ras in Europa waren, terwijl 'de hele rest van de wereld een kudde van pseudo-Hebreïsche halfbloeden zou zijn, zonder enige twijfel een fysiek, geestelijk en moreel gedegenereerd volk'.

[...] Het begrip 'de Duitser' hield een samenraapsel van overgeleverde plattelandswaarden in, terwijl 'de jood' de betekenis van moderne, stadse wereldwijsheid kreeg. In feite kwamen daardoor de tegenstellingen plattelands en stedelijk, scheppingsdrang en nabootsing, vitaliteit van binnenuit en oppervlakkig raffinement, gezag en democratie, moraliteit en intellect, idealisme en materialisme, traditie en vernieuwing, loyaliteit en opportunisme, helderheid en verwarring, gezondheid en ziekte, zuiverheid en degeneratie, allemaal neer op 'Duitser versus jood'.

De aan het einde van de negentiende eeuw in Duitsland heersende paranoia ten aanzien van deze 'joodse dreiging' werd ook gevoed door de migratie van joden van oost naar west die vanaf 1868 sterk was toegenomen. Op de vlucht voor armoede en pogroms en op zoek naar een beter leven verlieten tussen 1868 en 1914 ongeveer drie miljoen Russische, Oostenrijks-Hongaarse en Roemeense joden hun woongebieden. Honderdduizenden van deze mensen die voornamelijk op weg waren naar Amerika kwamen onderweg naar het westen door Duitsland. Veel Duitsers waren bang dat ze er wel eens zouden kunnen blijven. In de algemene beeldvorming betekende deze mogelijke overstroming ziekte, economische achteruitgang en politiek radicalisme. Duitsland had, meende de historicus Heinrich von Treitschke, een 'joods probleem', dat wil zeggen: deze joden uit het oosten die over de grens binnenstroomden. 'In de toekomst zullen hun kinderen en kleinkinderen de effectenbeurzen en kranten in Duitsland beheersen.' Hij was ervan overtuigd dat de joden, waar ze zich ook vestigden, de oorzaak waren van nationaal verval, en vroeg zich af of de ondergang van de Duitse cultuur door een gewelddadige uitzetting van de joden zou kunnen worden voorkomen. Hoewel hij het grove karakter van het antisemitisme dat zo snel in Duitsland was opgekomen betreurde, meende Treitschke dat, 'de massa in feite instinctief zeer ernstige schade aan het leven in het nieuwe Duitsland had onderkend.' In de uiterst respectabele Preussische Jahrbücher uitte hij publiekelijk zijn klacht: 'De joden zijn ons ongeluk'. Deze opvatting van Treitschke, die een vermaard en zeer bewonderd geleerde was, maakte het antisemitisme vrijwel van de ene op de andere dag maatschappelijk aanvaardbaar.” in: Dwork, d., Van Pelt, R.J., De Holocaust. Een geschiedenis, Amsterdam 2002 (Boom) p. 33-35

[cvi] “Was wir Ausbilder des Führungsnachwuchses wollen, ist ein modernes Staatswesen nach dem Muster der hellenischen Stadtstaaten. Diesen aristokratisch gelenkten Demokratien mit ihrer breiten ökonomischen Helotenbasis sind die großen Kulturleistungen der Antike zu danken. Fünf bis zehn vom Hundert der Bevölkerung, ihre beste Auslese, sollen herrschen, der Rest hat zu arbeiten und zu gehorchen. Nur so sind jene Höchstwerte erzielbar, die wir von uns selbst und dem deutschen Volke verlangen müssen. Die Auslese der neuen Führerschaft vollzieht die SS – positiv durch die Nationalpolitischen Erziehungsanstalten (Napola) als Vorstufe, durch die Junkerschulen und die Ordensburgen als die wahren Hochschulen der kommenden nationalsozialistischen Aristokratie, sowie durch ein anschließendes staatspolitisches Praktikum; negativ durch die Ausmerzung aller rassenbiologisch minderwertigen Elemente und die radikale Beseitigung jeder unverbesserlichen politischen Gegnerschaft, die sich grundsätzlich weigert, die weltanschauliche Grundlage des nationalsozialistischen Staates und seine wesentlichen Einrichtungen anzuerkennen. Innerhalb von spätestens zehn Jahren wird es uns auf diese Weise möglich sein, Europa das Gesetz Adolf Hitlers zu diktieren, um den sonst un- vermeidlichen Verfall des Kontinents zum Stillstand zu bringen und die wahre Völkergemeinschaft, mit Deutschland als führender Ordnungsmacht an der Spitze, aufzubauen.” Aus gedanklichen Leitsätzen eines in der Ordensburg Vogelsang tätigen SS-Führers über die »Auslese der neuen Führerschaft« (Herbst 1937) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 156

[cvii] “Die Totenkopfverbände sind aus einer korrupten Wachabteilung von knapp 120 Mann, von Dachau ausgehend, im Herbst 1934 entstanden. Es gab Zeiten, wo kein Rock, kein Stiefel und kein Strumpf vorhanden waren. Wir galten allgemein als notwendiges Übel, das nur Geld kostet! Unscheinbare Wachmänner hinter Stacheldraht. Die knappe Löhnung für meine Führer und Männer habe ich dekadenweise bei den Staatskassen förmlich erbetteln müssen. Ich selbst bezog als Oberführer in Dachau ein Monatsgehalt von 230,– RM und war dabei glücklich, weil ich das Vertrauen meines Reichsführers SS besaß. Nicht eine Patrone oder Gewehr, geschweige denn ein Maschinengewehr waren zu Beginn vorhanden. Damals unterstanden diese Wachmänner dem Oberabschnitt Süd, der die Sorgen und Nöte mir überließ, im übrigen aber mir ungefragt Leute schickte, die er aus irgendeinem Grunde in München loshaben wollte. Damit verseuchte man mir die Truppe und deren Stimmung. Untreue, Unterschlagung und Korruption habe ich angetroffen.  Als ich so nicht weiterkam, hat der Reichsführer SS meinem Antrage entsprochen und die kleine Wachtruppe mir ausschließlich unterstellt. Von nun ab begann der ungestörte Aufstieg. Mit vorbildlicher Manneszucht und vortrefflichem Korpsgeist wuchs die Wachtruppe in der Stille der Konzentrationslager. Ihre Ideale waren Treue, Tapferkeit und Pflichterfüllung. Der Führer gab nach dem Parteitag in Nürnberg 1935 seine Unterschrift. Sofort nach dem 1. April 1936 vermehrte ich die Truppe von 1800 auf 3500 Mann. Die neu eingestellten Rekruten sind die rassisch besten Deutschen im Alter von 17 bis 19 Jahren. Sie kamen begeistert aus der Hitlerjugend. Wir haben inzwischen die stolze Bezeichnung SS-Totenkopfverbände erhalten, die uns nicht nur stolz machte, sondern zur Treue und Hingabe ganz besonders verpflichtet. Heute besitzt meine Truppe 80 Schwere Maschinengewehre und 180 Leichte. Die weltanschauliche Schulung wird [...] intensiv betrieben und fachmännisch geleitet. 75 Prozent der Männer der SS-Totenkopfverbände gehören heute schon keiner Kirche mehr an.

In knapp 11 Monaten habe ich 5 KL [Konzentrationslager], von denen 4 in den Händen der SA waren umorganisiert, ausgebaut und dort klare Verhältnisse geschaffen. Ein neues, großes und modernes KL in Sachsenhausen ist zur Zeit im Bau. Binnen knapp 2 Jahren habe ich eine Kerntruppe von 3500 Mann auf die Beine gestellt. Für mich will ich nichts. Ich bin glücklich, wenn ich das Vertrauen meines Reichsführers SS besitze, ohne das ich nicht arbeiten kann.” Aus einem Brief Theodor Eickes an Himmler über die Entstehung der SS-Totenkopfverbände 10 August 1936) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 123

[cviii] “En deze indruk is, dat Scharführer X niet met een gewoon misdadiger op één lijn kan worden gesteld. Er zijn er natuurlijk onder. Er zijn er, voor wie de SS de gelegenheid werd om straffeloos iedere misdadigheid bot te vieren, daarvan een de broodwinning te maken en er nog eer bij te behalen ook. Maar de groote meerderheid is anders.

Scharführer X is. . .. niets. Hij is leeg. Men heeft hem idealisme toegedacht. Hij bezit dat niet. Men heeft hem opvattingen toegeschreven. Hij mist ze. Men heeft in hem tenminste vader­ landsliefde of nationaal enthousiasme willen ontdekken. Hij heeft er geen zweem van. Hij heeft een maag, een hart, longen, darmen? nieren en hij stelt er bijzonderen prijs op, deze behoorlijk te doen functioneeren. Dientengevolge zijn zijn natje en zijn droogje hem heilig. Voor het overige is hij een ding. Leeg. Menige politieke partij heeft op de leegte gespeculeerd en daarmede tijdelijk succes gehad, maar de nationaal-socialistische heeft dat consequent gedaan. Uit de leegte is zij opgebouwd, zij, en nog meer dan zij, haar SS.” in:

Herzberg, A, J., Amor Fati. Zeven opstellen over Bergen-Belsen, Amsterdam 1947 (Moussault’s uitgeverij) p. 14

[cix] “En dan komt er nog een moeilijk kapittel bij. Een mensch is nooit zoo doodgewoon, zoo leeg, zoo dubbel-blank, of hij heeft een geweten. En dat geweten spreekt, spreekt met een oude stem, die hij zich herinnert van de catechisatie in zijn jeugd: "Kaïn, Kaïn, waar is Uw broeder Abel?" En die stem moet worden gesmoord, omdat anders alles verloren gaat, moed en vaderland, fanfare en uniform. Wee, wee, wee, broeder Abel, als deze stem moet worden gesmoord. Dat moet jij betalen. En zoo ontstaat na de eerste droppel bloed de eene wreedheid na de andere, steeds grooter, steeds feller. Men heeft wel gezegd, dat Scharführer X gewetenloos zou zijn. Was het maar waar, dan was hij niet zoo wreed geworden.

Het is allemaal uit het niets ontstaan. Want aan den aan­ vang stond geen overtuiging, maar een gebrek aan overtuiging, en dat gebrek heeft een voortdurend groeiende onzekerheid gevoed, die dan altijd weer door een voortdurend groeiende schijnzekerheid moest worden gedekt. De infectie was be­ gonnen. Hij kón heelemaal niet anders, Sturmführer N of Scharführer X. Hij was een Golem, een leeg ding met een aan anderen ont­ leende kracht, die men nu gerust aan zichzelf kon overlaten, omdat hij in zijn vernietigingsdrang niet meer tegen te houden viel. Want als hij zich zou laten tegenhouden, of ook maar even weifelen zou, dan zou hij ineen ploffen en daartegen verzette zich zijn instinct tot zelfbehoud. En zoo werd Sturmführer N of Scharführer X, die als kind zoo laat zindelijk werd, als jongetje zoo angstig, als scholier zoo middelmatig en als man zoo "doodgewoon", van lieverlee en voordat hij wist hoe hij het had, tot massamoordenaar. En zoo komt hij tenslotte voor den beul, die in de geschiedenis altijd staat te wachten op iederen tyran.” in: Herzberg, A, J., Amor Fati. Zeven opstellen over Bergen-Belsen, Amsterdam 1947 (Moussault’s uitgeverij) p. 16

[cx] “De traliën van prikkeldraad gingen open, de petjes gingen af, en daar traden ze binnen. Voorop de Capo der Capo's, een man van een jaar of vijf en veertig, een korte, gedrongen, bijna gebochelde gestalte, waarop een veel te groot kaal hoofd, met een kleurloos sluw gezicht, zonder eenige verdere uitdrukking. Achter hem een stuk of vijf, zes moordenaars, ieder met een geweldigen knuppel in de hand, en met de ware wellust in de oogen en langs den mond om aan den slag te gaan.

Ze waren allen uitstekend gekleed met een neiging zelfs naar het chique. En reeds op den eersten blik kon men vermoeden, dat zij niet eerlijk aan al die mooie kleeren gekomen waren. Het was -        stellig voor de verhoudingen in het kamp - wat overdreven, te netjes, te proper. Ze droegen allemaal onberispelijke laarzen, maar op den rug het teeken der schande: op hun donkere jas was - alweer met eenigszins overdreven zorgvuldigheid - een bonte lap genaaid. Daaraan viel te herkennen, dat zij - ook zij - gevangenen waren, en dat temperde een beetje hun branie.

Ze zagen er welgedaan, gezond en krachtig uit en onze hongerige magen bromden onmiddellijk met den nijd der bezitloozen: "Ze hebben gegeten". En omdat ze gegeten hadden, boezemden ze dadelijk een zekere mate van respect in: dat geheimzinnige respect van den hongerige voor den zatte.

Ze konden het ook niet helpen, het behoorde tot de regie van den Duitscher, die het verstond het detail te verzorgen. De Capo is de gevangene, die tot voorwerker, tot bewaker, tot aan­ drijver van zijn medegevangenen wordt aangesteld. Soms ook tot spion, maar daarvoor is een speciale opdracht vaak overbodig. Dat wordt de goede Capo, die weet, wat er van hem verlangd wordt, vanzelf. In het algemeen moet hij den druk doorgeven, die de Nazi op zijn slachtoffers wenscht uit te oefenen. Als loon ontvangt hij betere ligging, voldoende voeding, het recht om zich bij voorrang de kleeding van overledenen top te eigenen of ze op andere -        mits niet aperte - wijze te stelen. De technische term daarvoor luidt "organisieren". Daarenboven wordt hij het onschatbare geluk deelachtig van te mogen slaan, zoo hard hij wil en zoo vaak hij wil, zonder de vrees terug­ geslagen te worden. Hij mag commandeeren en moet het zelfs. Tegenspraak wordt "niedergeschmettert". En zoo wordt hij gekocht, en wordt bovendien bereikt, dat in het leger der gevangenen een bevoorrechte klasse ontstaat, waardoor een mogelijk eenparig verzet reeds in den kiem gebroken wordt en zelfs niet op kan komen. De Duitschers wisten, dat er in vele menschen iets leeft, dat, ondanks alle haat, voor de bevoorrechting buigt en deze erkent. Dat paste in elk geval in hun systeem, dat een consequente speculatie inhield op den onderdaan, op den slaaf in den mensch.” in: Herzberg, A, J., Amor Fati. Zeven opstellen over Bergen-Belsen, Amsterdam 1947 (Moussault’s uitgeverij) p. 22-23

vgl. ook: Antelme, R., Das Menschengeschlecht, Frankfurt am Main 2001 (Fischer Taschenbuch Verlag)

[cxi] Vgl. Schmitz-Berning, C., Vokabular des National-Sozialismus, Berlin New York 2000, (Walter der Gruyter) p. 618-621

[cxii] “Der Untermensch – jene biologisch scheinbar völliggleichgeartete Naturschöpfung mit Händen, Füßen und einer Art von Gehirn, mit Augen und Mund, ist doch eine ganz andere, eine furchtbare Kreatur, ist nur ein Wurf zum Menschen hin, mit menschenähnlichen Gesichtszügen – geistig, seelisch jedoch tieferstehen- den als jedes Tier. Im Inneren dieses Menschen ein grausames Chaos wilder, hemmungsloser Leiden- schaften: namenloser Zerstörungswille, primitivste Begierde, unverhüllteste Gemeinheit. Untermensch – sonst nichts! [...

Aber auch der Untermensch lebte. Er hasste das Werk des anderen. Er wütete dagegen, heimlich als Dieb, öffentlich als Lästerer, als Mörder. Er gesellte sich zu seinesgleichen. Die Bestie rief die Bestie. Nie wahrte der Untermensch Frieden, nie gab er Ruhe. Denn er brauchte das Halbdunkle, das Chaos. Er scheute das Licht des kulturellen Fortschritts. Er brauchte zur Selbsterhaltung den Sumpf, die Hölle, nicht aber die Sonne. – Und diese Unterwelt der Untermenschen fand ihren Führer: – den ewigen Juden!” Aus einer Schrift des SS-Hauptamtes beim Reichsführer SS über »Untermenschentum« (1935) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 101

[cxiii] “Für die nichtdeutsche Bevölkerung des Ostens darf es keine höhere Schule geben als die vierklassige Volksschule. Das Ziel dieser Volksschule hat lediglich zu sein: Einfaches Rechnen bis höchstens 500, Schreiben des Namens, eine Lehre, daß es ein göttliches Gebot ist, dem Deutschen gehorsam zu sein und ehrlich, fleißig und brav zu sein. Lesen halte ich nicht für erforderlich.”  Aus einer Denkschrift Heinrich Himmlers über die Schulbildung  der »nichtdeutschen« Bevölkerung des Ostens (Mai 1940) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 228

[cxiv] “Meldung aus der Stadt Turck, 30. Oktober 1939: »[...] wurden eine Anzahl Juden in die Synagoge getrieben, mussten dort singend durch die Bänke kriechen, wobei sie ständig von den SS-Leuten mit Peitschen geschlagen wurden. Sie wurden dann gezwungen, die Hosen herunterzulassen, um auf das nackte Gesäß geschlagen zu werden. Ein Jude, der sich vor Angst in die Hosen gemacht hatte, wurde gezwungen, den Kot den anderen Juden ins Gesicht zu schmieren.«

Generaloberst Johannes Blaskowitz, Oberbefehls-haber Ost, Mitte November 1939 in einer Denkschrift an den »Führer« [inhaltlich festgehalten im Tagebuch von Hitlers Wehrmachtsadjutanten Gerhard Engel]: »Größte Besorgnis wegen illegaler Erschießungen, Festnahmen und Beschlagnahmungen, Sorgen um Disziplin der Truppe, die diese Dinge sehenden Auges erlebt; örtliche Absprachen mit SD und Gestapo ohne Erfolg, berufen sich auf Weisungen Reichsführung SS; Bitte, gesetzmäßige Zustände wiederherzustellen, vor allem Exekutionen nur bei rechtmäßigem Urteil durchführen zu lassen.« [Hitler reagierte schroff auf diese »kindliche Einstellung«; im Frühjahr 1940 wurde Blaskowitz an die Westfront versetzt.] General Walter Petzel, Wehrkreisbefehlshaber im Warthegau, 23. November 1939: »Fast in allen größeren Orten fanden durch die erwähnten Organisationen [SS und Polizei] öffentliche Erschießungen statt. Die Auswahl war dabei völlig verschieden und oft unverständlich, die Ausführung vielfach unwürdig. Verhaftungen waren fast immer von Plünderungen begleitet.« General Wilhelm Ulex, Oberbefehlshaber im Grenzabschnitt Süd, 2. Februar 1940: »Die sich gerade in letzter Zeit anhäufenden Gewalttaten [...] zeigen einen ganz unbegreiflichen Mangel menschlichen und sittlichen Empfindens, so daß man geradezu von Vertierung sprechen kann.« Blaskowitz, 6. Februar 1940: »Die Einstellung der Truppe zur SS und Polizei schwankt zwischen Abscheu und Haß. Jeder Soldat fühlt sich angewidert und abgestoßen durch diese Verbrechen, die in Polen[...] begangen werden.” Aus Protesten der Wehrmachtsführung gegen SS-Greuel in Polen (Oktober 1939 bis Februar 1940) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 212

“Es ist abwegig, einige 10.000 Juden und Polen, so wie es augenblicklich geschieht, abzuschlachten; denn damit werden angesichts der Masse der Bevölkerung weder die polnische Staatsidee totgeschlagen noch die Juden beseitigt. Im Gegenteil, die Art und Weise des Abschlachtens bringt größten Schaden mit sich, kompliziert die Probleme und macht sie viel gefährlicher, als sie bei überlegtem und zielbewusstem Handeln gewesen wären. Die Auswirkungen sind: a) Der feindlichen Propaganda wird ein Material geliefert, wie es wirksamer in der ganzen Welt nicht gedacht werden kann. Was die Auslandssender bisher gebracht haben, ist nur ein winziger Bruchteil von dem, was in Wirklichkeit geschehen ist. Es muss damit gerechnet werden, dass das Geschrei des Auslandes stetig zunimmt und größten politischen Schaden verursacht, zumal die Scheußlichkeiten tatsächlich geschehen sind und durch nichts widerlegt werden können [...]d) Der schlimmste Schaden jedoch, der dem deutschen Volkskörper aus den augenblicklichen Zuständen erwachsen wird, ist die maßlose Verrohung und sittliche Verkommenheit, die sich in kürzester Zeit unter wertvollem deutschen Menschenmaterial wie eine Seuche ausbreiten wird [...] Es besteht kein Zweifel, dass die polnische Bevölkerung, die alle diese Verbrechen wehrlos mit ansehen muss oder durch sie selbst betroffen und zur Verzweiflung getrieben, jede Aufruhr- und Rachebewegung fanatisch unterstützen wird. Weite Kreise, die niemals an einen Aufstand gedacht haben, werden jede Möglichkeit hierzu ausnützen und ihr als entschlossene Kämpfer zuströmen. Besonders die zahlreiche kleinbäuerliche Bevölkerung, die bei vernünftiger Behandlung und sachgemäßer deutscher Verwaltung ruhig und zufrieden für uns gearbeitet hätte, wird sozusagen mit Gewalt ins feindliche Lager getrieben.” Aus Anmerkungen des Oberbefehlshabers Ost, Johannes von Blaskowitz, über Greueltaten in  Polen (6. Februar 1940) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 223

[cxv] “Over één kwestie lees ik echter nauwelijks iets: de enthousiaste steun die de Duitsers in Letland en Litouwen kregen bij hun acties tegen de joden. Die morbide geestdrift had alles te maken met de bloedige cyclus van revolutie en contrarevolutie, waarin de mensen hier al decennialang verwikkeld waren. De joodse inwoners - soms communist, soms kapitalist - waren daarvoor ideale zondebokken. In de kern herhaalde zich hier hetzelfde patroon als in Wenen. 'De jood sprak Duits en was soms meer Duits dan de Duitser,' schrijft Modris Eksteins in zijn indrukwekkende persoonlijke geschiedenis van de Baltischestaten.'De jood sprak ook Russisch en kon, opnieuw, een betere vertegenwoordiger zijn van de Russische cultuur dan de Rus. De jood was een stedeling, een kosmopoliet. De jood was van  alles, maar     in de ogen van veel Letten gevangen in een stemming van groeiende paranoia en ruw nationalisme, vertegenwoordigde hij alles wat vreemd was, alles wat gevaarlijk was.' Zodra de sovjets zich in de zomer van 1941 terugtrokken keerde de bevolking van Letland en Litouwen zich dan ook tegen de joden. De vorig jaar verschenen museumcatalogus heeft het enkel over Letse 'Zelfbeschermingstroepen' die 'strijd leverden met terugtrekkende eenheden van het sovjetleger' en met 'degenen die de sovjetmacht steunden'. 'Ze doodden ongeveer zesduizend sovjetpartijactivisten van verschillende nationaliteit en herkomst: Letten, Russen en joden.'

Wat gebeurde er in werkelijkheid? Op 29 juni 1941, nog voor de aankomst van de Gestapo en de speciale Duitse Einsatzkommandos, werden in de Letse stad Daugavpils alle mannelijke joden tussen de zestien en de vijftig jaar op het marktplein bijeengebracht. Meer dan duizend van hen werden vervolgens door de Letten zelf omgebracht. In Riga werden in de nacht van 1 op 2 juli overal joodse bezittingen geplunderd en joden vermoord. Op 4 juli, 's middags om twaalf uur, werden tientallen joodse families Die Greise Hor Shul, de grote synagoge van Riga, binnengedreven. In de kelders bivakkeerden nog eens zo'n driehonderd joodse vluchtelingen uit Litouwen. Letse nazi's sloten de deuren en staken het gebouw aan. Honderden joden werden levend verbrand. Bij de Oude

Joodse Begraafplaats gebeurde iets soortgelijks. Niets hierover in de catalogus van het Bezettingsmuseum. Die toont alleen een foto van de houten toren van de Sint-Petruskerk, die in die dagen bij schermutselingen rond Riga in brand werd geschoten, 'zoals ook een aanzienlijk deel van de historische gebouwen in de oude stad'. Hieraan wordt toegevoegd dat de sovjetmachthebbers 'de bijzondere bedreiging van de joodse bevolking door de nationaal-socialisten' negeerden. Daarna, aldus de auteurs, probeerden de Duitse bezetters bewust een aantal 'makkelijk te beïnvloeden Letten' in te zetten bij de terreur onder de burgerbevolking.

Opnieuw: wat was de werkelijkheid? Het percentage overlevenden van de Holocaust is in Letland het laagste van heel Europa: 1,9 procent. Toen de Duitse veldpredikant Walter S. op zondag 6 juli 1941 in het Oost-Letse stadje Rezekne aankwam, was de hele bevolking uitgelopen voor een begrafenisdienst van zesentwintig slachtoffers van de sovjetterreur. Ze waren kort daarvoor aangetroffen in een massagraf. Walter S. werd direct ingeschakeld bij de schriftlezing en las, zoals hij zijn vrouw schreef, Openbaringen 21:4('... en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn').

Direct na de kerkdienst begonnen de Letten met moorden. 'De joden, die in de hele kwestie aan de touwtjes hadden getrokken, werden doodgeslagen, waar men ze maar vond,' schreef de dominee die avond aan zijn vrouw. 'Ze werden eenvoudig neergeslagen, als het niet anders kon, met - alleen maar een spade'. Hij zag hoe joden de lege massagraven werden binnengedreven en daar overhoop werden geschoten. Ook beschreef hij hoe sommigen de rivier in vluchtten en daar met revolvers en karabijnen werden afgemaakt. Predikant S. had overigens liever gezien dat het geheel wat ordentelijker was verlopen. 'Tegen de muur zetten, daar was iedereen het wel over eens. Maar niet dit doden in het wilde weg.'

Waren er anderen? Ja. In een klein joods museum in Vilnius aan- schouwde ik in de Galerij der Rechtvaardigen de portretten van de paar helden die, ondanks alle risico's, joodse gezinnen hadden beschermd en verborgen. Het waren eenvoudige gezichten, soms mooi, soms dik en goedig, altijd gewoon: boeren, houtvesters, spoorarbeiders, zorgzame buurvrouwen, eerlijke en moedige mensen.[…] In Letland werden tijdens de Tweede Wereldoorlog zeventigduizend joden vermoord, van wie dertigduizend al in de zomer en het najaar van 1941. In Litouwen werden vrijwel alle tweehonderdduizend joden omgebracht. (In Estland woonden slechts vijfduizend joden, de meerderheid wist naar de Sovjet-Unie te ontkomen.) Een Duitse officier betitelde in zijn officiële verslag de haat van de boeren jegens de joden als 'monsterlijk'. Ze hadden, zo schreef hij op 16 augustus 1941, 'veel van het vuile werk al gedaan' voordat de Duitsers tussenbeide konden komen. l[…] De Holocaust was hier een geestesgesteldheid, voordat het beleid van nazi's werd.' in: Mak, G., In Europa. Reizen door de twintigste eeuw, Amsterdam Antwerpen, 2004 (Uitgeverij Atlas) p.199-20

[cxvi] “Dieses Vorfeld Asiens erobern wir jetzt. Was an gutem Blut überhaupt auf der Welt vorhanden ist, an germanischem Blut, das haben wir zusammenzuholen. Wir werden die Volksdeutschen heimführen: die Germanen werden sich, ob sie wollen oder nicht, ob sie es einsehen oder nicht, zu diesem Reich bekennen müssen, aus dem Zwang des geschichtlichen Gesetzes heraus, aus dem Zwang des Blutes heraus. Jedes gute Blut – und das ist der erste Grundsatz, den Sie sich merken müssen –, das Sie irgendwo im Osten treffen, können Sie entweder gewinnen, oder Sie müssen es totschlagen. Es auf der anderen Seite zu lassen, damit dort morgen wieder ein Führer ersteht, kleinen, großen oder mittleren Formats, das wäre ein Verbrechen an uns selbst, denn letzten Endes besiegen kann uns nur unser eigenes Blut oder – wollen wir es hier in Rußland anders ausdrücken – die Früchte, die Errungenschaften unseres eigenen Blutes [...]

Die Gesamtlinie ist absolut die: Wir haben diesem Volk keine Kultur zu bringen. Ich kann Ihnen wörtlich nur das wiederholen, was der Führer wünscht. Es genügt, 1. wenn die Kinder in der Schule die Verkehrszeichen lernen, damit sie uns nicht in die Autos laufen, 2. wenn sie das kleine Einmaleins bis 25 lernen, damit sie so weit zählen können, und 3. wenn sie noch ihren Namen schreiben können: Mehr ist nicht nötig [...]

Das 3. Problem: Grund und Boden für die Menschen! In diesen 20 Jahren haben wir zu besiedeln die heutigen deutschen Ostprovinzen, von Ostpreußen herunter bis Oberschlesien, das gesamte Generalgouvernement; wir haben einzudeutschen und zu besiedeln Weißruthenien, Estland, Lettland, Litauen, Ingermanland und die Krim. In den anderen Gebieten werden [...] so, wie wir es hier anfangen, entlang den Marschstraßen, an denen unsere Autobahnen, Eisenbahnen, Flugplätze liegen, geschützt durch unsere Garnison, kleine Städte von 15 – 20.000 Einwohnern entstehen und im Umkreis von 10 km deutsche Dörfer, so dass sie immer in deutsches Leben eingebettet sind mit dem kulturellen Mittelpunkt in der Stadt.

Diese Siedlungsperlen, die wir hier bis zum Don und zur Wolga – und ich hoffe bis zum Ural – vortreiben, werden eines Tages, eines Jahres und im Laufe einer Generation immer mehr Schichten ansetzen müssen durch den ewig jungen Nachwuchs des germanischen Blutes. Dieser germanische Osten bis zum Ural muss, und dafür arbeiten wir hier als SS-Männer in unseren Gedanken, unserem Leben und Erziehen, wie unsere Kameraden draußen in ihrem Vorsterben dafür kämpfen, die Pflanzstätte des germanischen Blutes sein, damit dann in 4 bis 500 Jahren, wenn das Schicksal Europas bis zu einer Auseinandersetzung zwischen den Kontinenten so lange Zeit lässt, statt 120 Millionen 5 – 600 Millionen Germanen vorhanden sind. Hier können sie geboren werden, können sie wachsen als Bauern, hier kann das Volk stark werden! Wir haben dann ein bäuerliches Volk in einem vernünftigen Verhältnis von Stadt und Land, eine Weite von Land, in der sich der Germane entwickeln kann, ohne Spießbürger zu werden wie in Klein-Deutschland.”

Aus einer Rede Himmlers in seiner Feldkommandantur beim ukrainischen Shitomir über den künftigen »germanischen Osten« (16. September 1942) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 114

[cxvii] Vgl. Aly, G.,  Heim, S., Vordenker der Vernichtung. Auschwitz und die deutschen Pläne für eine neue europäische Ordnung, Frankfurt am Main 2004 (Fischer Taschenbuch Verlag)

[cxviii] “Ein Grundsatz muss für den SS-Mann absolut gelten: Ehrlich, anständig, treu und kameradschaftlich haben wir zu Angehörigen unseres eigenen Blutes zu sein und zu sonst niemandem. Wie es den Russen geht, wie es den Tschechen geht, ist mir total gleichgültig. Das, was in den Völkern an gutem Blut unserer Art vorhanden ist, werden wir uns holen, indem wir ihnen, wenn notwendig, die Kinder rauben und sie bei uns großziehen. Ob die anderen Völker in Wohlstand leben oder ob sie verrecken vor Hunger, das interessiert mich nur soweit, als wir sie als Sklaven für unsere Kultur brauchen, anders interessiert mich das nicht. Ob bei dem Bau eines Panzergrabens 10.000 russische Weiber an Entkräftung umfallen oder nicht, interessiert mich nur insoweit, als der Panzergraben für Deutschland fertig wird. Wir werden niemals roh und herzlos sein, wo es nicht sein muss; das ist klar. Wir Deutsche, die wir als einzige auf der Welt eine anständige Einstellung zum Tier haben, werden ja auch zu diesen Menschentieren eine anständige Einstellung einnehmen, denn es ist ein Verbrechen gegen unser eigenes Blut, uns um sie Sorge zu machen und ihnen Ideale zu bringen, damit unsere Söhne und Enkel es noch schwerer haben mit ihnen. Wenn mir einer kommt und sagt: »Ich kann mit den Kindern oder den Frauen den Panzergraben nicht bauen. Das ist unmenschlich, denn dann sterben sie daran«, – dann muss ich sagen: »Du bist ein Mörder an deinem eigenen Blut, denn, wenn der Panzergraben nicht gebaut wird, dann sterben deutsche Soldaten, und das sind Söhne deutscher Mütter. Das ist unser Blut.« Das ist das, was ich dieser SS einimpfen möchte und – wie ich glaube – eingeimpft habe, als eines der heiligsten Gesetze der Zukunft: Unsere Sorge, unsere Pflicht ist unser Volk und unser Blut; dafür haben wir zu sorgen und zu denken, zu arbeiten und zu kämpfen, und für nichts anderes. Alles andere kann uns gleichgültig sein. Ich wünsche, dass die SS mit dieser Einstellung dem Problem aller fremden, nichtgermanischen Völker gegenübertritt, vor allem den Russen. Alles andere ist Seifenschaum.” Aus einer Rede Himmlers vor SS-Gruppenführern in Posen über die absolute Brutalisierung des Vorgehens gegen nichtgermanische »Menschentiere« (4. Oktober 1943) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr 351

[cxix] Vgl.het werk van Kertész die als veertienjarige jongen naar Auschwitz wordt getransporteerd vanuit Hongarije in 1944 in: Kertész, Imre, Onbepaald door het lot. Drie romans, Amsterdam 2009 (De Bezige Bij)

Kertész, Imre, De verbannen taal, Amsterdam 2005 (De Bezige Bij)

[cxx] Endgültige Vernichtung, Judenfrei

 

Aus einem Bericht der überwiegend aus Angehörigen der Waffen-SS bestehenden Einsatzgruppe A über Massenmorde in der Sowjetunion per 15. Oktober 1941

Übersicht über die Zahl der bisher durchgeführten Exekutionen

                                        Juden    Kommunisten    zusammen

 Litauen                       80.311           860         81.171

 Lettland                      30.025         1.843        31.868

 Estland                          474            684          1.158

 Weißruthenien               7.620              –           7.620

                                118.430         3.387       121.817

Dazu kommen:

In Litauen und Lettland durch Pogrome beseitigte Juden                 5.500

Im altruss. Raum exekutierte Juden, Kommunisten u. Partisanen        2.000

Geisteskranke                                                                             748

                                                                   130.063

Aus einem Bericht der überwiegend aus Angehörigen der Waffen-SS bestehenden Einsatzgruppe A über Massenmorde in der Sowjetunion per 15. Oktober 1941 in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 273Aus der sogenannten Ereignismeldung UdSSR Nr. 128 der Einsatzgruppe C über Massenexekutionen (ab November 1941)

“Was die eigentliche Exekutive anbelangt, so sind von den Kommandos der Einsatzgruppe bisher etwa 80.000 Personen liquidiert worden.

Darunter befinden sich etwa 8.000 Personen, denen aufgrund von Ermittlungen eine deutschfeindliche oder bolschewistische Tätigkeit nachgewiesen werden konnte. Der verbleibende Rest ist aufgrund von Vergeltungsmaßnahmen erledigt worden. Mehrere Vergeltungsmaßnahmen wurden im Rahmen von Großaktionen durchgeführt. Die größte dieser Aktionen fand unmittelbar nach der Einnahme Kiews statt; es wurden hierzu ausschließlich Juden mit ihrer gesamten Familie verwandt.

Die sich bei Durchführung einer solchen Großaktion ergebenden Schwierigkeiten – vor allem hinsichtlich der Erfassung – wurden in Kiew dadurch überwunden, daß durch Maueranschlag die jüdische Bevölkerung zur Umsiedlung aufgefordert worden war. Obwohl man zunächst nur mit einer Beteiligung von etwa 3.000 bis 6.000 Juden gerechnet hatte, fanden sich über 30.000 Juden ein, die infolge einer überaus geschickten Aktion bis unmittelbar vor der Exekution noch an ihre Umsiedlung glaubten.

Wenn auch bis jetzt auf diese Weise insgesamt etwa 75.000 Juden liquidiert worden sind, so besteht doch schon heute Klarheit darüber, dass damit eine Lösung des Judenproblems nicht möglich sein wird. Es ist zwar gelungen, vor allem in kleineren Städten und auch in den Dörfern eine restlose Bereinigung des Judenproblems herbeizuführen; in größeren Städten dagegen wird immer die Beobachtung gemacht, dass nach einer solchen Exekution zwar sämtliche Juden verschwunden sind, kehrt aber alsdann nach einer bestimmten Frist ein Kommando nochmals zurück, so wird immer wieder eine Anzahl von Juden festgestellt, die ganz erheblich die Zahl der exekutierten Juden übersteigt.”  Aus der sogenannten Ereignismeldung UdSSR Nr. 128 der Einsatzgruppe C über Massenexekutionen (ab November 1941) in: Das Dritte Reich. Daten, Bilder, Dokumente. Eine Tageschronik mit 1700 Abbildungen aus dem Bildarchiv Heinz Bergschicker, Digitale Bibliothek 2005, nr. 277

Vgl ook: Gilbert, Endlösung. Die Vertreibung und Vernichtung der Juden. Ein Atlas, Reinbeck bei Hamburg 1982 (Rowohlt)

Schoenberner, G., Der Gelbe Stern. Die Judenverfolgung in Europa 1933-1945, München 1978 (C. Bertelsmann Verlag)

Pliakov, L., Wulf, J., Das Dritte Reich und die Juden. Dokumente und Berichte, Berlin 1989 (Fourier)

[cxxi] Vgl. Desbois, P., Holocaust door kogels. Op zoek naar ooggetuigen en sporen van de massamoord in Oekraïne, 2009 (Uitgeverij Verbum) zie ook: Mendelsohn, D., Verloren. Op zoek naar zes van de zes miljoen, Amsterdam Antwerpen 2006 (Arbeiderspers) p. 233 e.v.

[cxxiii] Uit een brief die op dit proces werd voorgelezen: »Betr.: Sicherstellung der Schädel von jüdisch-bolschewistischen Kommissaren zu wissenschaftlichen Forschungen in der Reichsuniversität Straßburg.

        Nahezu von allen Rassen und Völkern sind umfangreiche Schädelsammlungen vorhanden. Nur von den Juden stehen der Wissenschaft so wenig Schädel zur Verfügung, dass ihre Bearbeitung keine gesicherten Ergebnisse zuläßt. Der Krieg im Osten bietet uns jetzt Gelegenheit, diesem Mangel abzuhelfen. In den jüdisch-bolschewistischen Kommissaren, die ein widerliches aber charakteristisches Untermenschentum verkörpern, haben wir die Möglichkeit, ein greifbares wissenschaftliches Dokument zu erwerben, indem wir uns ihre Schädel sichern.

        Die praktische Durchführung der reibungslosen Beschaffung und Sicherstellung dieses Schädelmaterials geschieht am zweckmäßigsten in Form einer Anweisung an die Wehrmacht, sämtliche     jüdisch-bolschewistischen Kommissare in Zukunft lebend sofort der Feldpolizei zu übergeben. Die Feldpolizei wiederum erhält Sonderanweisung, einer bestimmten Stelle laufend den Bestand und Aufenthaltsort dieser gefangenen Juden zu melden und sie bis zum Eintreffen eines besonderen Beauftragten wohl zu behüten. Der zur Sicherstellung des Materials Beauftragte (ein der Wehrmacht oder sogar der Feldpolizei angehörender Jungarzt oder Medizinstudent, ausgerüstet mit einem Pkw nebst Fahrer) hat eine vorher festgelegte Reihe photographischer Aufnahmen und anthropologischer Messungen zu machen und, soweit möglich, Herkunft, Geburtsdaten und andere Personalangaben festzustellen. Nach dem danach herbeigeführten Tode des Juden, dessen Kopf nicht verletzt werden darf, trennt er den Kopf vom Rumpf und sendet ihn, in eine Konservierungsflüssigkeit gebettet, in eigens zu diesem Zweck geschaffenen und gut verschließbaren Blechbehältern zum Bestimmungsort. An Hand der Lichtbildaufnahmen, der Maße und sonstigen Angaben des Kopfes und schließlich des Schädels können dort nun die vergleichenden anatomischen Forschungen, die Forschungen über Rassenzugehörigkeit, über pathologische Erscheinungen der Schädelform, über Gehirnform und -größe und über vieles andere mehr beginnen.

Für die Aufbewahrung und die Erforschung des so gewonnenen Schädelmaterials wäre die neue Reichsuniversität Straßburg ihrer Bestimmung und ihrer Aufgabe gemäß die geeignetste Stätte.«in: Der Prozess gegen die Hauptkriegsverbrecher vor dem internationalen Militärgerichtshof Nürnberg 14 november 1945 - 1 oktober 1946, 24 Bd., Nürnberg 1947 (Delphin) deel XX p. 565- 566

Vgl. de tekst van de brieven in: Poliakov, L., Wulf, J., Das Dritte Reich und die Juden. Dokumente und Berichte, Berlin 1989 (Fourier) p. 378-380

[cxxiv] zie: Der Prozess gegen die Hauptkriegsverbrecher vor dem internationalen Militärgerichtshof Nürnberg 14 november 1945 - 1 oktober 1946, 24 Bd., Nürnberg 1947 (Delphin) deel XX p. 565- 576

Vgl. ook Lifton, R.J., Nazidokters. De psychologie van de rassenmoord in het Derde Rijk, Utrecht 1987 (Bruna) p. 304-306

[cxxv] Vgl. Bucher, Rainer, Hitlers Theologie, Würzburg 2008 (Echter)

vgl. ook Burleigh, M., Heilige doelen. Religie en politiek van de Europese dictators tot Al Qaida, A’dam 2007 (De Bezige Bij) p. 126-158 die hier uitgebreid voorbeelden aanhaalt.

[cxxvi] Vgl. Antelme, R., Das Menschengeschlecht, Frankfurt am Main 2001 (Fischer Taschenbuch Verlag)

Muller, E., Dit woord van leegte. Beschouwingen over Robert Antelme, De menselijke soort. Doctoraalscriptie wijsgerige ethiek Faculteit der Filosofie Radboud Universiteit Nijmegen juni 2005

[cxxvii] Vgl. Blatman, Daniel, Die Todesmärsche 1944/45. Das letzte Kapitel des nationalsozialistischen Massenmords, Reinbeck bei Hamburg 2011 (Rowohlt)

[cxxviii] Malaparte, Curzio, Kaputt, Amsterdam, Antwerpen 2007 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 602

[cxxix] Malaparte, Curzio, Kaputt, Amsterdam, Antwerpen 2007 (Uitgeverij de Arbeiderspers) p. 119-120

[cxxx] Vgl. Schlesak, D., De apotheker van Auschwitz, Amsterdam Antwerpen 2010 (de Arbeiderspers)

[cxxxi] Mak, G., In Europa. Reizen door de twintigste eeuw, Amsterdam Antwerpen, 2004 (Uitgeverij Atlas) p. 569

[cxxxii] Armando, De straat en het struikgewas, Amsterdam 1992 (De Bezige Bij) p. 48

[cxxxiii] Vgl. Schillebeeckx, Edward, Gerechtigheid en liefde - genade en bevrijding, Bloemendaal 1977 p. 755-756

Vgl. Schillebeeckx, Edward, Jezus het verhaal van een levende, Bloemendaal 1980 p. 509-510

[cxxxiv] Schillebeeckx, Edward, Jezus het verhaal van een levende, Bloemendaal 1980 p. 510

[cxxxv] Schillebeeckx, Edward, Jezus het verhaal van een levende, Bloemendaal 1980 p. 510

[cxxxvi] Vgl. Millet, K., Entmenschlicht. Versuch über die Folter, Hamburg 1993 (Junius)

Rauter, E.A., Folter in Geschichte und Gegenwart von Nero bis Pinochet, Frankfurt am Main 1988 (Eichborn Verlag)

Reemtsma, J.P. (Hg.), Folter. Zur Analyse eines Herrschatsmittels, Hamburg 1991 (Junius)

Stöckle, F., Bis er gesteht Folter und Rechtsprechung, Würzburg 1984 (Arena)

Villeneuve, R., Grausamkeit und Sexualität, Berlin 1988 (Rixdorfer Verlagsanstalt)

Verhoeven, C., Folteren om bestwil, Baarn 1977

[cxxxvii] Vgl. Gertner, H., (Hrsg.), Geschichte der Märtyrer. Verfolgt für den Glauben, Schafenburg 1984 (Pattloch-Verlag)

[cxxxviii] Vgl. Canetti, E., Masse und Macht, Frankfurt am Main 1982 (Fischer)

[cxxxix] Vgl. Fromm, E., Anatomie der menschlichen Destruktivität, Reinbeck bei Hamburg 1985 (Rowohlt)

[cxl] Vgl. Hert standaardwerk Roquebert, M., L’Épopéé Cathare 2006-2007, (Perrin) 5 bd.

[cxli] Vgl. Wils, Jean-Pierre, Sacraal geweld, Assen 2004 (Koninklijke van Gorcum) p. 35-38

[cxlii] Vgl. Kampmann, W., Deutsche und Juden. Die Geschichte  der Juden in Deutsland vom Mittelalter bis zum  Beginn des Ersten Weltkrieges, Frankfurt am Main 1981 (Fischer)

Bezirksgruppe Speyer des Historischen Vereinz der Pfalz, Geschichte der Juden in Speyer, Speyer 1990

Cluse, Ch., (Hrsg.), Europas Juden im Mittelalter. Beiträge des internationalen Symposiums in Speyer vom 20.25. Okotober 2002, Trier 2004 Kliomedia)

Heinrich Graetz, Geschichte der Juden, Digitale Bibliotheek Berlin 2004 (Directmedia)

[cxliii] Vgl. Lea, H.C., De inquisitie in de Middeleeuwen, 1986 (Aula Spectrum)

[cxliv] Vgl. Hexen. Analysen, Quelen, Dokumente, Berlin 2004 (Directmedia)

[cxlv] Waterboarding, iemand met een doek zijn gezicht afbinden en voortdurend water hierover gieten zodat het gevoel ontstaat te verdrinken, dat onlangs weer in het nieuws kwam als vorm van marteling bij verhoormethoden in Irak is ouder. De Nederlanders maakten er al gebruik van in Indonesië in de 17e eeuw op Ambon (Zwartboek van Nederland overzee, Ewald Vanvugt, p.71, 2002. A True Relation of the Unjust, Cruel and Barbarous Proceedings against the English at Amboyna (1624), geciteerd in Milton, Giles, Nathaniel's Nutmeg: How One Man's Courage Changed the Course of History (Spectre, 1999, 328); gemoderniseerde spelling. Variaties ook geciteerd in Keay, John, The Honourable Company: A History of the English East India Company (HarperCollins, 1993, 49); en Kerrigan, Michael, The Instruments of Torture (Spellmount, 2001, 85). Wikipedia)

[cxlvi] Vgl. Nunca Mas (Never Again). A Report by Argentina’s National Commission on Disappeared People, London Boston 1986 (Faber and Faber) p. 248-252 Berucht is in dit geval de aalmoezenier Von Wernich die bij verschillende ondervragingen betrokken was. p.294-300 over de artsen in een militair ziekenhuis die assisteerden bij de bevalling om de kinderen van de (gevangen) vrouwen naderhand ter beschikking te stellen aan (veelal) militaire gezinnen zonder kinderen.

Vgl. ook Lifton, R.J., Nazidokters. De psychologie van de rassenmoord in het Derde Rijk, Utrecht 1987 (Bruna) p. XVI die talloze voorbeelden noemt.

[cxlvii] Vgl. Verhoeven, C., Folteren om bestwil, Baarn 1977 p. 9: “Uit vrijwel alle landen komen van tijd tot tijd betrouw- bare berichten over gevangenen, vooral politieke dissidenten, die bij verhoren gefolterd worden. Dat wil zeggen: zij worden niet bij hun arrestatie mishandeld omdat zij verzet bieden, zij worden ook niet vanuit een grote en persoonlijke woede geslagen, geschopt of gestoken, maar in koelen bloede, systematisch en uit naam van een bewind gekweld en getreiterd, niet bij wijze van straf voor hun daden, maar met de bedoeling hun gedachten te beïnvloeden. Het gaat daarbij niet direct om hun leven, maar om hun geheim of om het feit dat zij zich niet conformeren. De foltering moet hen gelijkschakelen. Door deze ideologische achtergrond verschilt zij van de martelpraktijken uit vroeger tijden die als voorproefje van een dreigende executie het verhoor vergezelden en bekentenissen of gegevens afdwongen bv. van Romeinse slaven, maar geen politiek middel waren. In het moderne beulswerk lijkt het sadistisch vakmanschap nog versterkt te worden door een ideologische en politieke overtuiging.”

[cxlviii] Verhoeven, C., Folteren om bestwil, Baarn 1977 p. 10-14

[cxlix] Vgl. Korovessis, P., The Method. A Personal Account of the Torture in Greece, London 1970

[cl] Vgl. Dassin, J., (ed.), Torture in Brazil. A report by the Archdiocese of Sao Paulo, New York 1985 (Vintage Books)

Nunca Mas (Never Again). A Report by Argentina’s National Commission on Disappeared People, London Boston 1986 (Faber and faber)

[cli] Vgl. Keller, Gustav, Amnesty International, Die Psychologie der Folter. Die Psyche der Folterer. die Psycho-folter. Die Psyche der Gefolteren, Frankfurt am Main 1981 (Fischer)

[clii] Vgl. Guest, I., De vuile oorlog. De Argentijnse Junta en de mensenrechten, Haarlem 1990 (H.J.W. Becht)

Mellor, A., La Torture. Son Histoire, son Abolition, sa Réapparition au XXe   Siècle, Paris 1949

Ruthven, M., Torture. The Grand Conspiracy, London 1978

Schue, H., Torture, in: Philosophy of publics affairs 1978, Vol 7, 12 p. 124-143

Stover, E., Nightingale, E.O. (Ed)., The Breaking of Bodies and Minds. Torture, Psychiatric Abuse and the Health Professions, New York 1985

Korovessis, P., The Method. A Personal Account of the Torture in Greece, London 19

Valdés, H., Dagboek uit een Chileens concentratiekamp, Amsterdam 1976, (Kitische Biblioteek van Gennep)

[cliii] Vgl. Alves, R.A., Protestantism and Repression. A  Brazilian Case Study, New York 1985

Alves, M.H.M., State and Opposition in Military Brazil, Austin 1985

[cliv] Verhoeven, C., Folteren om bestwil, Baarn 1977 p. 14-15

[clv] Verhoeven, C., Folteren om bestwil, Baarn 1977 p. 15

[clvi] Vgl. Verhoeven, C., Folteren om bestwil, Baarn 1977 p. 17-18: “De veronderstelling waarvan ik in het volgende uitga of het standpunt, waartoe ik mij beperk, is, zoals al gezegd, dat de folteraar een vertegenwoordiger is van het systeem en van de cultuur waarin hij leeft. Hij moet de lekken daarvan dichten. Zijn persoonlijke sadistische trekken doen evenmin ter zake als zijn vindingrijkheid op technisch of psychologisch gebied. Een consequentie van deze keuze is, dat hij niet beschouwd wordt als een afwijkende eenling die toevallig onder een bepaald regiem de kans krijgt zijn afwijkingen bot te vieren - al zal dat vaak genoeg voorkomen -, maar als normale vertegenwoordiger van zijn civilisatie. Hij is uitvoerder van officiële bedoelingen en steunt daarbij op gangbare zekerheden. De kleur van die bedoelingen, hun links of rechts karakter, is van minder belang dan de hevigheid waarmee zij doorgezet worden en het fanatisme waarmee alles daaraan ondergeschikt gemaakt wordt.

Een verdere consequentie van deze veronderstelling is, dat aan die bedoelingen niet a priori een misdadig karakter toegekend kan worden. Hun hevigheid en het fanatisme waartoe zij leiden is eerder te verklaren uit strenge, veeleisende idealen dan uit cynisme of een criminele instelling. Folteren kan beschouwd worden als een zeer ontaarde vorm van verkondiging en dit gebeurt in de volgende beschouwingen. De belangrijkste vraag die zich daarbij voordoet en waarover dit boek verder gaat, is die naar de bronnen van zekerheid waarop de folteraar steunt of: naar de kenleer van de beul. De vraag is waar folteraar - en slachtoffer - de enorme zekerheid vandaan halen die hen in staat stelt het uiterste te doen en het uiterste te ondergaan. Hoeveel zekerheid is er - afgezien van alle perversie - nodig om iemand te pijnigen ter wille van een inzicht of zich te laten pijnigen ter wille van een geheim of een overtuiging?

Achtereenvolgens zullen drie bronnen besproken worden. De eerste zekerheid is het geloof in de universele geldigheid van de eigen intellectuele constructies; de tweede houdt verband met de noodlottige illusie van te programmeren voorlopigheid, het geloof in een negatieve fase als doorgangsstadium naar een betere toekomst; de derde zekerheid is een produkt van de verhouding tussen meester en leerling: zij neemt de vorm aan van dogmatisme.. Aan elk van die zekerheden is een hoofdstuk gewijd; dit wordt telkens gevolgd door twee uitweidingen die niet expliciet over folteren handelen, maar over zekerheden en vanzelfsprekendheden in onze cultuur die parallel lopen met die van de folteraar zonder als misdadig ontmaskerd te worden. Voor een deel danken zij hun onschuld hieraan, dat zij alleen op geduldig papier uitgesproken worden.”

[clvii] Vgl.  http://nl.wikipedia.org/wiki/As_van_het_kwaad: “As van het kwaad (Engels: Axis of Evil) is de kwalificatie die de regering van de VS sinds 29-01-200 geeft aan landen waarvan de regering zich in de ogen van de VS schuldig maakt aan het beschermen van het terrorisme De term werd voor het eerst door George W. Busch gebruikt in zijn State of the Union - toespraak. De term is bedacht door een tekstschrijver van Busch, David Frumdie aanvankelijk de woorden "as van de haat" voor ogen had. Het woord as is een verwijzing naar de asmogendheden uit Wereldoorlog Twee. De kwalificatie gold aanvankelijk voor de volgende landen: Irak, Iran en Noord Korea. 6 mei 2002 voegde John R. Bolton er de volgende landen aan toe: Cuba, Libië en Syrië.  Irak werd in 2003 door de Verenigde Staten binnengevallen en wordt sindsdien niet meer tot de 'as' gerekend. In 2003 stopte Libië met hun massavernietigingswapensprogramma en verbeterde Gaddafi Libiës relatie met het westen en nu wordt Libië ook niet meer tot de 'as' gerekend. Critici menen dat "as van het kwaad" een misleidende term is, omdat de as-mogenheden in de Tweede Wereldoorlog bondgenoten waren, terwijl dat bij de landen uit de as van het kwaad niet (of niet bewezen) het geval is. Iran en Irak hebben zelfs acht jaar lang oorlog tegen elkaar gevoerd.”

[clviii] Vgl. Perlmutter, Amos, Modern Authoritarianism. A Comparative Institutional Analysis, New Haven London 1981 (Yale University Press)

[clix] Vgl. o.a. Alegria, Ciro, Die hungrigen Hunde. Roman, Frankfurt am Main 1981 (Suhrkamp)

Arguedas, José Maria, Die tiefen Flüsse. Roman, Frankfurt am Main 1980 (Suhrkamp)

Arguedas, José Maria, Bloedfeest Yawar fiesta. Roman, Amsterdam 1983 (Meulenhof)

Arlt, Roberto, Die sieben Irren. Roman, Frankfurt am Main 19 (Suhrkamp)

Scorza, Manuel, Garabombo, der Unsichtbare. Roman, Frankfurt am Main 1981 (Suhrkamp)

Scorza, Manuel, Trommelwirble für Rancas. Eine Ballade..., Frankfurt am Main 1984 (Suhrkamp)

Roa Bastos, Augusto, Menschensohn. Roman, München Wien 1991 (Carl Hanser Verlag)

[clxi] http://users.skynet.be/Guatemala.RenVr/artikels/art8/art8.html Ik citeer  slechts een deel:

“In Augustus 2005 verbleef de theoloog José Comblin in Rosario, Argentinië. Hij werd uitgenodigd door de “De Oecumenische Leerstoel voor een Nieuwe wereld” – Cátedra Ecuménica Mundo Nuevo - ( CEMN ) Hierbij het interview dat Lucas Almeda met hem had:

CEMN: Hoe ziet u nu in deze tijd van intense pogingen tot democratisering in Latijns Amerika, de doctrine van de nationale veiligheid ?

JOSE COMBLIN : Er is een radicale omzwaai geweest in de doctrine van de VS. De doctrine van de nationale veiligheid was het antwoord op de situatie van de koude oorlog tegen het communisme .President Bush definieerde en lanceerde een nieuwe doctrine: het concept van de oorlog tegen het terrorisme . Geen veiligheid zonder een oorlog, geen koude maar een warme oorlog. De doctrine formuleert dat de VS het terrorisme zullen aanvallen en wreken, niet alleen op het grondgebied van de VS zelf, maar evengoed in alle landen van de wereld. De terroristen kunnen zich in elk land bevinden. Speciaal zullen de VS ingrijpen met militaire macht in de landen die terroristen herbergen en een toevlucht verschaffen: deze zijn de kern van het terrorisme. Alle regeringen van de wereld zijn opgeroepen deel te nemen aan deze open oorlog tegen het terrorisme. Bush proclameerde deze oorlog als de prioriteit van zijn regering. Hij wil de geschiedenis ingaan als de president die de oorlog tegen het terrorisme lanceerde en uitvoerde. Voor Zuid Amerika is de eerste stap de oprichting van een militaire uitvalsbasis in Paraguay, op de grens met Argentinië. Van uit deze basis zal de strijd tegen het terrorisme worden georganiseerd. Het concept “ terrorisme “ is zo wijd en onbepaald dat al wat de VS niet bevalt als terrorisme kan worden bestempeld .

[…] CEMN: Op welke manier zitten we opnieuw gevangen in het huidige machtsspel op wereldvlak?

JC : Er zijn twee processen aan de gang. Het eerste ontwikkelde zich na de val van de URSS. Het was de tijd dat de multinationals vele nationale bedrijven opkochten en zo machtsposities veroverden in de verschillende naties. Het Internationaal Muntfonds (IMF) hielp dank zij het betalen van de buitenlandse schuld en kon zo een constante druk uitoefenen op de regeringen. Bijvoorbeeld: de verovering van de landbouw door MONSANTO. Andere voorbeelden: het opkopen van het hele telefoonsysteem door Spanjaarden en het beslag leggen op de mijnen door de Amerikaanse bedrijven. Er zijn nog vele andere elementen die de economie afhankelijk maken van de multinationals. Een belangrijk element is daarbij ook het binnendringen in het culturele leven .Nog een ander: het permanent offensief om alle landen en volkeren het levensmodel van de VS op te dringen. En hierin is geen sprake van een welvaartstaat: ieder moet instaan voor zijn eigen welzijn en welvaart, zijn gezondheid, de opvoeding en zijn basisbehoeften (geprivatiseerde gezondheid, opvoeding en studie, etc )

Het tweede proces begon na 11 september. De VS proberen hun concept “oorlog “ aan alle regeringen op te dringen en hun strijdmachten mee te sleuren in de strijd, in de oorlogen tegen het terrorisme.

Op dit moment zijn er twee terreinen met directe militaire ingrepen, Afghanistan en Irak. Andere oorlogen kunnen eventueel beginnen . De eerste daarvan is Iran. Anderzijds is oorlog evengoed een strijd voor informatie: namelijk het ontdekken van alle personen en organisaties die mogelijk aan het terrorisme kunnen meewerken. Dit veronderstelt een controle van alle staatsburgers en hun sociale relaties, hun communicatielijnen, etc. Alle landen zijn opgeroepen om mee te werken, zodat de VS ten slotte de persoonlijke kennisfiche hebben van alle wereldbewoners, van al hun sociale relaties en de piste van elk van de verdachten. Dit is moeilijk te verwezenlijken in zijn totaliteit, maar het systeem kan oneindig ontwikkeld worden, afhankelijk van de beschikbare bronnen.

[…]

José Comblin , Katholiek priester, geboren in Brussel , België in 1923 . Hij kwam naar Latijns Amerika , verbleef in Ecuador , onderwees Theologie in Chili van 1962 tot 1965 . Was later in Recife, Brazilië samen met don Helder Camera . Door de militaire dictatuur verbannen uit Brazilië in 1972, ging hij weer naar Chili , waar hij werkte aan de katholieke Universiteit , tot in 1981 een decreet van dictator Pinochet hem belette nog te blijven in het land . Zo belandde hij terug in Brazilië om er voort te werken .

[clxii] DE DOCTRINE VAN DE NATIONALE VEILIGHEID EN HAAR TOEPASSINGEN IN LATIJNS-AMERIKA - Nota's opgenomen tijdens de uiteenzetting die J. Comblin over dit onderwerp heeft gehouden voor Broederlijk Delen op 22.10.76 en voor C.I.D.S.E. op 4.11.76. in: Jrg. 2   nr. 4     p. 12-13    maart-april 1977 bron: http://users.skynet.be/cvhs/kering/karchief/jaarg2/jrg2txt/txt0204g.html

[clxiii] “De doctrine over de "Nationale Veiligheid" is rond 1946 in de Verenigde Staten van Amerika ontstaan en vanuit de studie van Duitse documenten, die door het Amerikaanse leger werden meegebracht. Een essentiële pijler waarop de doctrine is gebouwd, is, wat men noemt, de "geopolitiek". Deze beschouwt het leven van personen, groepen en volkeren als een permanente strijd tussen de verschillende machtscentra. Hier wordt de beroemde formule van Von Clausewitz omgekeerd waarbij de volgende stelregel wordt gehuldigd: "de politiek is de voortzetting van de oorlog, zij het met andere midden".250 Het gaat hier om een "totale" oorlog, die een totale strategie vereist: deze oorlog mobiliseert dus zowel de burgers als de militairen en hij speelt zich af in de hele wereld. Vertrekkend van het begin van de koude oorlog, past men deze visie toe op de strijd tussen het communisme en de rest van de wereld, die onder Amerikaanse invloed staat en die "de vrije wereld" wordt genoemd. Die bevrijdingsstrijd wordt systematisch geïnterpreteerd als een weg die door het communisme is gekozen om zijn macht uit te breiden. In dit kader wordt Cuba als de proef op de som beschouwd. Volgens deze theorie moet voortaan de oorlog gevoerd worden tegen de "interne" vijand. Deze totale strategie omvat zowel de militaire wereld als de politiek en de economie, en vooral het psycho-sociale, de cultuur, de godsdienst, de ideologie.”

De Elites in de maatschappij in Latijns Amerika vervullen hierbij een rol: “Vermits een visie op mens en maatschappij wordt gehuldigd, die zeer dicht bij de "Action Française" staat en wezenlijk gericht is op de zogenaamde "elite", wordt alleen deze elite ingewijd en is zij alleen in staat het land te besturen overeenkomstig deze doctrine. Aan de massa wordt een andere ideologie aangeboden, die vooral op het gevoelen afgestemd is, zij is nationalistisch spiegelt materiële verbeteringen voor op lange termijn.

In de Verenigde Staten werd een "elite" gevormd van militairen in burger en van echte militairen in het "War College" en in de "Industrial Colleges of the Armed Forces", die in verschillende grote steden gevestigd zijn. Vervolgens wordt een reusachtige anti-subversieve oorlogsmachine op gang gebracht, die heel Latijns-Amerika moet bestrijken. Dit gebeurt o.m. vanuit het college van Panama, waar reeds 71.500 officieren gevormd werden, afkomstig van alle Latijns-Amerikaanse landen. Die school heeft reeds in verschillende landen onderafdelingen die de vorming "made in USA" nauwkeurig copiëren. Deze doctrine wordt evenzeer in Europa en Azië verspreid.”

De geheime politie neemt een sleutelrol in bij de verdediging van het land: “Volgens de interne logica van de algemene doctrine worden zij, die niet voor het systeem zijn, verdacht ervan er tegen te zijn. En ook dat zij de de vijand verborgen houden. Zij worden als verraders beschouwd, die objectief gezien, verbonden zijn met de communistische ondermijning, zelfs indien zij zich hier niet van bewust zijn. Het is immers in dit systeem niet mogelijk om neutraal te blijven.

Een dergelijke benadering geeft uiteraard veel aandacht aan het begrip "veiligheid" bewaakt door de geheime politie. Deze geheime politie is de nieuwe clerus van deze nieuwe inquisitie. Zij is de nieuwe elite, wiens zending voorgesteld wordt als een vaderlandslievend ideaal. Deze elite is belast met de "hoogste zending": het ontmaskeren van de totale vijand, die zich verborgen houdt. Bijgevolg beschikt deze geheime politie, die bezield is door een pseudo-mystiek, over buitengewone volmachten die slechts door haarzelf kunnen worden omschreven en beperkt. Zij staat boven de andere machtsinstanties. Zo begrijpt men o.m. de omvang die de praktijk van het folteren genomen heeft.

Een Internationale Academie van de Politie heeft gedurende jaren in de Verenigde Staten gefunctioneerd, totdat zij onlangs werd opgedoekt als gevolg van een schandaal dat aan het licht kwam, dank zij een reeks belangrijke onthullingen. Zo is men te weten gekomen dat er in die school geraffineerde ondervragingsmethoden werden onderwezen, die vervolmaakt werden met de hulp van geneesheren en psychologen.

De volkse bewegingen en de syndicaten worden gemanipuleerd en voelen zich voor een dilemma geplaatst: ofwel weigeren mee te werken met het regime en zo gedoemd zijn tot het verdwijnen, ofwel mee te werken en dus medeplichtig te zijn.

Dit systeem wordt steeds beter en breidt zich zonder ophouden verder uit. Tot in 1973 bestond het alleen in Brazilië, nadien was het de beurt aan Chili, Paraguay, Argentinië en weldra vallen Ecuador en Peru eraan ten prooi. Deze beide laatste landen zullen niet lang meer hun burgerregering kunnen houden.”

DE DOCTRINE VAN DE NATIONALE VEILIGHEID EN HAAR TOEPASSINGEN IN LATIJNS-AMERIKA - Nota's opgenomen tijdens de uiteenzetting die J. Comblin over dit onderwerp heeft gehouden voor Broederlijk Delen op 22.10.76 en voor C.I.D.S.E. op 4.11.76. in: Jrg. 2   nr. 4     p. 12-13    maart-april 1977 bron: http://users.skynet.be/cvhs/kering/karchief/jaarg2/jrg2txt/txt0204g.html

[clxiv] Ook de religie/godsdienst vervult een essentiële rol:

“Studies van psychologie en sociologie hebben aangetoond dat motivaties van religieuze aard de meest doorslaggevende zijn in deze oorlogsvoering. De kerken en vooral de katholieke kerk, die sinds lang gevoelig is voor de dreiging van het strijdend atheïsme, zoals dit vorm heeft gekregen in Moskou en Peking, worden met de meeste aandrang verzocht een belangrijke rol te spelen als een centrum van macht in deze psychologische en culturele oorlog gericht tegen de subversieve activiteiten.

In de ogen van het systeem is de verborgen vijand, die het communisme is, iemand die overal infiltreert waar de geringste kritiek geuit wordt tegen het economisch, politiek of sociaal systeem, m.a.w. daar waar men zich enige vrijheid van denken of handelen permitteert.

Het geloof wordt beschouwd als iets van secundaire aard en als behorend tot het privé-domein. Het evangelie wordt als gevaarlijk gezien, omdat het een subversieve kiem bevat. Eenzelfde houding zagen we vroeger reeds bij Maurras van de Action Française. Wat wel behouden moet blijven en zich verder moet ontwikkelen, is het rituele en institutionele christendom als socio-culturele structuur, als een geheel van tekenen en symbolen die de uitdrukking zijn van een gehechtheid aan orde, aan het gezag en aan een anti-communistische houding.”

Maar de kerk wordt ook als vijand gezien: “Zo kan men getuige zijn van een systematische spionage tegenover de kerk, die als doel heeft het minste spoor van een verborgen communisme te ontdekken. Deze ketterjacht heeft tot gevolg de verdwijning van praktisch het gehele christelijke lekenkader en van die priesters die geëngageerd zijn in de sociale bewegingen. Deze mensen worden gedood, gevangen genomen, gefolterd, verbannen of ontmoedigd en onder druk gezet in een sfeer van permanente schrik en zonder enige mogelijkheid tot verhaal.

Zo is de kerk in tien jaar tijd geweldig verzwakt. Haar instellingen zijn gezuiverd en zijn over het algemeen gerecupereerd door het systeem, bewust of onbewust. Dit is o.m. het geval met de katholieke universiteiten. Elders passen katholieke colleges de voorschriften toe, die voorzien in het aanstellen van een leerling -de beste- per klas, belast met de opdracht de verdachten van hun klas aan te klagen.

De instellingen met een sociaal karakter, werden verdacht gemaakt omwille van hun vernieuwend optimisme en hun jargon dat vaak ontleend is aan bepaalde theorieën van marxistische oorsprong. Zo werden ze van het toneel geveegd, terwijl hun verantwoordelijke leiders het slachtoffer werden van de repressie. Geleidelijk aan werden die bisschoppen opzij gezet, vooral zij die geloofden in "Medellin" en die de opties ervan in praktijk wilden omzetten. De bisschoppen voelen zich zeer geïsoleerd tegenover de machten die hen dwingen te opteren voor een nieuwe "kruistocht". Daarenboven krijgen zij geen enkele aanmoediging van buitenaf. Er is praktisch geen enkel officieel geluid van Rome te horen geweest, met name wat de veroordeling betreft van de militaire verdrukkingsregimes.”

DE DOCTRINE VAN DE NATIONALE VEILIGHEID EN HAAR TOEPASSINGEN IN LATIJNS-AMERIKA - Nota's opgenomen tijdens de uiteenzetting die J. Comblin over dit onderwerp heeft gehouden voor Broederlijk Delen op 22.10.76 en voor C.I.D.S.E. op 4.11.76. in: Jrg. 2   nr. 4     p. 12-13    maart-april 1977 bron: http://users.skynet.be/cvhs/kering/karchief/jaarg2/jrg2txt/txt0204g.html

[clxv] Verhoeven, C., Folteren om bestwil, Baarn 1977 p. 22: “De beul dankt zijn zekerheid en evidentie aan zijn blindheid voor feiten: hij is niet te weerleggen, want hij creëert zijn eigen evidentie door de feiten en de mensen naar zijn hand te zetten. Hij weet hoe mensen moeten zijn - niet hoe zij zijn, want dat is voor hem van geen belang; hij wordt getiranniseerd door een eeuwig moeten - en probeert hen, hoe zij ook zijn, aan te passen aan een uniform en dwingend model dat hem voor de blinde ogen zweeft. Hij staat hierin dichter dan prettig is voor onze cultuur bij modekoningen en politieke agitatoren die hun model op- leggen aan de klanten. Zijn houding ten opzichte van de realiteit is er een van loutere activiteit en komt hierin overeen met de idealistische kenleer die haar object creëert.

Dat betekent niet dat de beul een idealistische filosoof is en misschien zelfs niet dat zijn meester dat is, maar dat hij leeft in een cultuur waarin methoden die in het denken vrijblijvend en onschuldig zijn, zodat ze geen behoefte hebben aan evidentie, als definitieve verworvenheid of toch minstens als veelbelovende en verantwoorde experimenten op het handelen worden toegepast. De folteraar is daar de executeur bij uitstek; zonder bezwaar voert hij uit wat anderen bedenken en maakt hij van ijle hersenspinsels Moedige praktijken. Hij aanvaardt geen breuk of oponthoud tussen denken en doen, theorie en praktijk: dat is zijn wreedheid.”

[clxvi] Vgl. Verhoeven, C., Tegen het geweld, Utrecht 1967

Verhoeven, C., Omzien naar het heden. De mythe van de vooruitgang, Utrecht 1968

[clxvii] Vgl. Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985

[clxviii] Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 4

[clxix] Vgl. Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 5

[clxx] Vgl. Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 27

[clxxi] Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 29

[clxxii] Misschien geldt dit voor het moment van martelen en de periode dat de gevangene gemarteld wordt. Als mensen langer worden opgesloten en tijd hebben om na te denken over hun situatie, als dat al gebeurd, kan verraad ook een soort Kaïnsteken worden dat iedereen met zich mee draagt zoals in het volgende gedicht:

 

“Das Schicksal stellte alle gleich

jenseits der Grenzen des Gesetzes.

Ob Kulakensohn, ob roter Kommandeur,

ob Priestersohn, ob Kommissar…

 

Alle Klassen gleichgestellt,

alles Menschen, Brüder, Mitgefangene,

jeder trug das Brandmal des Verräters…

 

Alexander Twardowski (Das Recht auf Erinnerung)

in: Applebaum, A., Der Gulag. Aus dem Englischen von Frank Wolf, Berlin 2003 (Siedler) p. 8

[clxxiii]  Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 34 vgl. Wils, Jean-Pierre, Ars moriendi. Über das Sterben, Frankfurt am Main. Leipzig 2007  (Insel Verlag) p.52-56; 74-75; 94-100

[clxxiv]  Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 35: “World, self, and voice are lost, or nearly lost, through the intense pain of torture and not through the confession as is wrongly suggested by its connotations of betrayal. The prisoner’s confession merely objectifies the fact of their being almost lost, makes their invisible absence, of neraby absence, visible tot the tortures.” 

[clxxv] Vgl. Vgl. Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 35

[clxxvi] Vgl. Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 36 en: “The interrogation is, therefore, crucial to the regime. Within the physical events of torture, the torture “has” nothing: he has only an absence, the absence of pain. In order to experience his distance from the prisoner in terms of “having” their physical difference is translated into a verbal difference: the absence of pain is a presence of the world; the presence of pain is the absence of the world. Across this set of inversions pain becomes power.” p. 36-37

[clxxvii] Daarvoor kiest Tadeusz Borowski  voor het medium van de roman om toch iets van die ervaringen te verwoorden. zie Borowski, Tadeusz, Bei uns in Auschwitz. Aus dem Polnischen von Friedrich Griese, München 2008 (btb-Verlag).

Een moderne poging om alle gruwelijkheden uit Wereldoorlog Twee vanuit het perspectief van de nazi te beschrijven doet Jonathan Littell in: Littell, Jonathan, Die Wohlgesinnten, Berlin 2009 (Berlin Verlag)

Een andere poging om te achterhalen wat er echt gebeurd is in de vervolging van familie doet Mendelsohn, Daniel, Verloren. Op zoek naar zes van de zes miljoen, Amsterdam Antwerpen 2006 (Arbeiderspers)

[clxxviii] Vgl. Scarry, E., The body in pain. The making and unmaking of the world, New York Oxford 1985 p. 121-124

[clxxix] Vgl. voor een beschrijving van de sfeer in die tijd van de Russische strafkampen: Applebaum, A., Der Gulag. Aus dem Englischen von Frank Wolf, Berlin 2003 (Siedler)

en: Sjalamov, V. Berichten uit Kolyma, Amsterdam 2001 (De Bezige Bij) p. 16: “In de nacht van de twaalfde januari 1937 werd er op mijn deur gebonsd...Vanaf de eerste minuut in de gevangenis was het me duidelijk dat er geen fouten werden gemaakt bij de arrestaties, dat er sprake was van een planmatige algehele uitroeiing van een hele ‘sociale’ groep - van iedereen die zich van de laatste jaren van de Russische geschiedenis iets anders herinnerde dan hij zich ervan moest herinneren...Van 1937 tot 1953 zat ik [in Kolyma].

[clxxx] Grossman, V., Leven & lot, Amsterdam 2008 (Uitgeverij Balans) p. 786-803

[clxxxi] Het hele boek van Grossman, Leven en lot legt hiervan getuigenis af hoe het is te leven onder een dictatuur waar het woord van de dictator alles is. Wat een dergelijke situatie kan aanrichten in de maatschappij wordt ook duidelijk tijdens de dictatuur in Argentinië, vgl. Guest, I., De vuile oorlog. De Argentijnse Junta en de mensenrechten, Haarlem 1990 (H.J.W. Becht)

[clxxxii] Juarroz, R., Vertikale Poesie. Poesía Vertical. Werkauswahl, Salzburg und Wien 2005 (Jung und Jung) p. 220

[clxxxiii] Pizarnik, Alejandra, Genizas Asche, Asche, 1956-1971, Zürich 2002 (Amman Verlag) p. 49

[clxxxiv] Vgl. Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 18-19

[clxxxv] Vgl. Levenkron.S., Zelfbeschadiging. Zelfbeschadiging begrijpen en overwinnen, Amsterdam 2006 (Uitgeverij SWP)

[clxxxvi] Vgl. http://www.automutilatie-site.nl/index.html Ervaringen met en teksten over automutilatie - hoe het lichaam wordt gebruikt en hoe betekenis wordt verleend aan dit handelen.

[clxxxvii] Cioran, E.M., Werke, Frankfurt am Main 2008 (Suhrkamp) p. 524

[clxxxviii] Sigmund Freud heeft zijn hele leven gewijd aan de bestudering van dergelijke fenomenen: Vgl. Mitscherlich, A., Richards, A., Strachey, J. (Hrsg.), Sigmund Freud, Studienausgabe, 12 Bd., Frankfurt am Main 1982 (Fischer) en ook zijn dochter Anna Freud heeft aandacht aan deze afweermechanismen besteed, vgl. Freud, A., Das Ich und die Abwehrmechanismen, München 1980 (Kindler)

[clxxxix] “Hoogleraar Maarten van Buuren herinnert zich precies de dag en het uur dat hij verloor wat hij altijd voor zijn ’ik’ had aangezien. Een routinevergadering, begin 2000, op het faculteitsbureau. Hem wordt koffie aangeboden, maar hij is niet in staat iemand aan te kijken of iets te zeggen. Hij vlucht in paniek naar huis en verschanst zich er dagen achtereen. Het is het begin van een diepe depressie, waarvoor hij zich laat behandelen. Het verloop ervan beschrijft hij in ’Kikker gaat fietsen! Of over het leed dat leven heet’. De gerenommeerde literatuurwetenschapper, vertaler en essayist, moet van zichzelf zeggen: „Ik besta niet meer, wat in de stoel hangt is een stoffelijk overschot. Ik ben niet meer. […] Ik word uitgevlakt, met de grond gelijk gemaakt, vernietigd. Het enige waarop ik mag hopen, is dat via medicijnen of zelfmedicatie de machine weer opgang wordt gebracht, opdat de wereld me in genade wordt teruggeschonken.”

In een vlijmscherp zelfonderzoek fileert Van Buuren vervolgens de wankele fundamenten waarop zijn schijnbaar robuuste identiteit was gebouwd. Een hardvochtige moeder, een afwezige vader en veeleisende grootvader, een gereformeerde opvoeding, het onvermogen om duurzame relaties op te bouwen – depressogene factoren die mede tot zijn instorting hebben geleid. Maar hij wil ze er niet voor aansprakelijk stellen. De depressie is van hemzelf. De enige manier om haar te overwinnen, is haar toe te eigenen als deel van hemzelf. Depressie behoort bij wie hij is, zij maakt deel uit van zijn identiteit. Het is de lege ruimte waaromheen zijn ’ik’ cirkelt. Het ik is geen stabiele en onveranderlijke kern van zijn persoonlijkheid, maar een kaartenhuis dat zomaar om kan vallen.” in:  Met mij moet ik het doen - Het dictaat van de zelfverbetering - Frits de Lange - zaterdag 7 februari 2009  Trouw

[cxc] Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 15-16

[cxci] Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 16

[cxcii] Vgl. Castaneda, C., Die Lehren des Don Juan. Ein Yaqui-Weg des Wissen, Frankfurt am Main 1979 (Fischer Verlag)

[cxciii] Vgl. Beerling, R.F., Moderne doodsproblematiek. Een vergelijkende studie over Simmel,  Heidegger en Jaspers, Delft z.j., (Delftsche Uitg.) p. 3 over de vraag of we met de dood te doen hebben met een “uiteindelijke eindigheid” (alles is definitief afgelopen met mijn leven) of deze eindigheid is relatief en de dood is een overgangsfase in plaats van een ondergang. Beerling stelt terecht dat alle menselijke voorstellingen inzake de dood aan een of andere conceptie van het leven zijn ontleend. Hij zegt: “ De dood van het leven scheiden is een volstrekte onmogelijkheid; ook wanneer hij als de ontkenner, de vernietiger, de opheffer van het leven wordt gezien, dan toch alleen, omdat hij als negatieve macht ten opzichte van het leven en niet van iets anders fungeert.” en op pag. 6:”Elke typologie van mogelijke houdingen tegenover den dood heeft slechts betrekkelijke waarde, de waarde van een schema dat staat en valt met het gezichtspunt, dat als indeelingsgrondslag wordt aangelegd.” p. 8: “Er is geen doodsproblematiek denkbaar dan als problematiek van het leven. Eerst door de confrontatie, met den dood komt het leven tot zichzelf en dat wil zeggen: tot begrip van zichzelf. Het begrijpt, den dood niet buiten, maar in zich te hebben. Alle vormen van onsterfelijkheid, die de mensch in den loop der eeuwen heeft uitgedacht, zijn af te leiden uit een onuitroeibaren drang naar continuïteit, die het leven innerlijk bezielt.”

[cxciv] Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p.17-20

[cxcv] “Zelf zal ik nog lang onder behandeling wegens depressie blijven. Ik zou willen dat ik kon zeggen hoe het gebeurd is. Ik heb er geen idee van hoe ik zo diep gevallen ben, en weinig idee hoe ik terugstuiterde of opnieuw viel, en toen nog eens, en nog eens. Ik heb de aanwezigheid, de klimop, aangepakt op elke gebruikelijke manier die ik kon vinden, en werkte toen uit hoe ik de afwezigheid kon herstellen, even ingespannen en toch ook intuïtief als ik heb leren lopen of praten. Ik had tal van kleine terugvallen, toen twee ernstige instortingen, vervolgens wat rust, daarna een derde instorting, en toen nog een paar terugvallen. Na dat alles doe ik wat ik moet doen om verdere verstoringen  te voorkomen. Elke ochtend en elke avond kijk ik naar de pillen in mijn hand: wit, roze, rood, turquoise. Soms lijken ze op een handschrift in mijn hand, hiëroglyfen die zeggen dat de toekomst oké zal zijn, en dat ik het aan mezelf verplicht ben verder te leven en te zien. Soms voel ik me alsof ik tweemaal  daags mijn eigen begrafenis slik, want zonder die pillen zou ik al lang zijn heengegaan. Als ik in mijn woonplaats ben, bezoek ik eenmaal per week  mijn therapeut. Soms verveel ik me tijdens de sessies, en soms ben ik geïnteresseerd zonder me erbij betrokken te voelen, en soms krijg ik een gevoel van openbaring. Voor een deel op grond van de dingen die die man gezegd heeft, heb ik mezelf weer voldoende gereconstrueerd om mijn begrafenis te blijven slikken in plaats van die na te spelen. Er kwam veel praten aan te pas: ik geloof dat woorden kracht hebben en dat ze de dingen die we vrezen kunnen overweldigen wanneer de vrees erger lijkt dat het leven goed is. Ik heb me, met een aandacht die steeds meer verfijnd raakt, tot de liefde gewend. Liefde is de andere weg voorwaarts. Die twee dingen moeten samengaan: pillen alleen zijn een zwak gif, liefde alleen is een bot mes, inzicht is een touw dat knapt onder een teveel aan spanning. Als je ze alle drie hebt, kun je, als je geluk hebt, de boom redden van de klimop.” Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 31-32

[cxcvi] Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 33

[cxcvii] Vgl. Lange, Frits de, Met mij moet ik het doen - Het dictaat van de zelfverbetering  in Trouw zaterdag 7 februari 2009

[cxcviii] Vgl. Lange, Frits de, Met mij moet ik het doen - Het dictaat van de zelfverbetering  in Trouw zaterdag 7 februari 2009

[cxcix] “De gedeprimeerde is een mens die het bijltje van de zelfschepping er noodgedwongen bij neergooit. Een mens ’en panne’, die vermoeid, geremd, vertraagd, tijd- en toekomstloos, niet meer weet te handelen. Apathische bewegingsloosheid, totale asthenie, zowel geestelijk als lichamelijk – dat is de essentie van depressie.

Deze moderne depressie zou Sigmund Freud vreemd zijn voorgekomen. Hij stuitte op de neurose, de ziekte van de onverwerkte verhouding met ons verleden. De depressie kijkt de andere kant uit. Niet de vroegere relatie met een strenge Vader of verstikkende Moeder, maar de onleefbare toekomst met Onszelf is haar probleem. Door de druk om zichzelf morgen weer opnieuw uit te moeten vinden, verkeert het soevereine individu in een voortdurende staat van oorlog met zichzelf. Zelf nummer 1 zal opgevolgd moeten worden door Zelf nummer 2, en dat tot in de zoveelste macht. Zolang je de energie kunt opbrengen om die spanning levend te houden, blijft er afstand tussen wie je bent en wie je volgens jezelf zou moeten zijn. Die ruimte verschrompelt bij een depressie. De zelffabriek implodeert. Het soevereine individu moet zoveel zelven tegelijk in de lucht houden dat het ze, achter adem geraakt en ten einde raad, in één keer laat vallen.” in: Lange, Frits de, Met mij moet ik het doen - Het dictaat van de zelfverbetering  in Trouw zaterdag 7 februari 2009

[cc] Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 26-27

[cci] “Er is misschien nog een optie. Die eist een veel langere adem en een ingrijpende koerswijziging van onze cultuur. We zullen weg moeten van de mythe van het soevereine individu die ons dwingt onszelf scheppend te overtreffen, en die ons in de depressie stort als we daar de energie niet meer voor hebben.

Het soevereine individu is zijn eigen transcendentie, zijn eigen gene zijde. Hij is tegelijk zichzelf en de Ander van zichzelf. Daar worden we toch doodongelukkig van? „Wie de lat te hoog legt voor zichzelf, gaat er gemakkelijk onderdoor”, schreef Loesje. Het voortdurend opblazen van ons identiteitsproject kweekt kwetsbare zelven, onzekere hoopjes Dasein die als luchtballonnen zweven boven het afgrondelijk Niets. Wie of wat breekt door dat mechanisme heen?

Twee wegen zouden ons uit de impasse kunnen voeren. Om te beginnen afscheid nemen van de – letterlijk uitzichtloze – plicht om nog langer je eigen transcendentie te zijn. We hebben echte transcendentie nodig, een horizon die ons zelf overstijgt.

Ik ontleen de term zelftranscendentie aan de Joodse filosoof-psychiater Viktor E. Frankl. Hij overleefde vier concentratiekampen en zette na de oorlog zijn overlevingskunst in voor zijn psychiatrische praktijk. Frankl had in het kamp redenen om niet dood te mogen gaan: zijn boek moest geschreven worden en zijn vrouw wachtte op hem. Iets of iemand buiten jezelf hebben om voor te leven – dat houdt een mens op de been, concludeerde hij naderhand. Vraag niet wat jij van het leven kunt verwachten, maar vraag wat het leven van jou verwacht, werd zijn motto. Hoe meer iemand zichzelf verliest (of: zichzelf transcendeert) in zijn toewijding aan een zaak of mens, des te meer wordt hij zichzelf.

„Zelfverwerkelijking is alleen mogelijk als een neveneffect van zelftranscendentie”, schreef Frankl. ´Responsibleness´ is de essentie van zinvol menselijk leven. We kunnen ons door anderen laten verlossen van de innerlijke noodzaak onszelf voortdurend te overtreffen. We hoeven zelf niet eens het masterplan te bedenken dat ons uit de bewegingsloosheid haalt; we laten ons overhalen tot, inschakelen in het appèl dat van buiten op ons afkomt. Iets of iemand anders moet ons toch uit de baan om die zwarte zon kunnen stoten? Misschien vinden we uiteindelijk onszelf wel door onszelf te verliezen.

Het tweede dat de pressie zou kunnen verlichten is zelfacceptatie. Zelfverbetering is een uitzichtloos dictaat. Wie daarentegen kan zeggen: dit ben, dat kan ik, en daar kan ik ja op zeggen, laat alle valse lucht weglopen. Hij hoeft niet meer eeuwig ontevreden aan zichzelf te werken. Zelfaanvaarding bevestigt de eigen particulariteit, aanvaardt de eigen eindigheid. Met mij moet ik het doen – laat ik dat dan ook van harte willen.” In: Lange, Frits de, Met mij moet ik het doen - Het dictaat van de zelfverbetering  in Trouw zaterdag 7 februari 2009

Vgl. Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 482: “ Het is alsof mijn leven en ik, nadat we tegenover elkaar gestaan hebben, elkaar gehaat hebben, aan elkaar hebben willen ontsnappen, nu voorgoed aan elkaar verbonden zijn. Het tegendeel van depressie is niet geluk, maar vitaliteit, en nu ik dit schrijf is mijn leven inderdaad vitaal, zelfs als ik neerslachtig ben.”

[ccii] Vgl. Zwei Kinderneurosen in Mitscherlich, A., Richards, A., Strachey, J. (Hrsg.), Sigmund Freud, Studienausgabe, 12 Bd., Frankfurt am Main 1982 (Fischer) Bd. VIII

Vgl. Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 458-462

[cciii] Vgl. L . Nieuwenhuizen, Creating a Shared Language, in: the Journal of Pastoral Care & Counseling, Winter 2007, Vol. 61, no 4 p. 329-341 In dit artikel wordt een model gepresenteerd waarmee de hulpverlener op verschillende niveau’s de client kan bijstaan in het leren verwerken van het onderliggende verdriet en de pijn waardoor de persoon in een crisis is geraakt.

[cciv] “De bevolking van Cambodja leeft binnen het bereik van onvoorstelbare tragedie. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw vestigde de revolutionair Pol Pot daar een maoïstische dictatuur uit naam van wat hij de Rode Khmer noemde. Jaren van bloedige burgeroorlog volgden, en in die tijd is meer dan twintig procent van de bevolking afgeslacht. De ontwikkelde elite werd uitgeroeid, en de boeren werden stelselmatig van de ene streek naar de andere verhuisd, en sommigen kwamen terecht in gevangeniscellen, waar ze bespot en gemarteld werden; het hele land leefde in aanhoudende angst. Het is moeilijk oorlogen een cijfer te geven - de recente wreedheden in Rwanda zijn buitengewoon verwoestend geweest - , maar het staat vast dat de periode Pol Pot even erg is geweest als alle gruwelijke perioden in de recente geschiedenis. Wat gebeurt er met je emoties wanneer je gezien hebt hoe een kwart van je landgenoten is vermoord, wanneer jezelf geleefd hebt onder de ontberingen van een wreed regime, wanneer je tegen alle waarschijnlijkheid in strijdt om een verwoest land te herstellen? Ik had willen zien wat er gebeurt met de gevoelens onder de burgers van een staat wanneer ze allemaal zoveel traumatische spanning hebben ondergaan, wanhopig arm zijn, praktisch geen hulpbronnen hebben en weinig kans maken op onderwijs of arbeid. Ik had andere locaties kunnen vinden om lijden te zoeken, maar ik wilde niet naar een land waar oorlog heerste, aangezien de wanhoopspsychologie van de oorlogsperiode meestal opgewonden van karakter is, terwijl de wanhoop die op verwoesting volgt, eerder dof en alomvattend is. Cambodja is niet een land waar de ene groepering op wrede wijze tegen de andere heeft gestreden; het is een land waar iedereen in oorlog was met alle anderen, waar alle mechanismen van de maatschappij volkomen vernield zijn, waar geen liefde meer was, geen idealisme, niets wat goed was voor wie  dan ook.

De Cambodjanen zijn over het algemeen vriendelijke mensen, en ze zijn buitengewoon  tegemoetkomend voor buitenlanders die hen bezoeken. De meesten spreken op zachte toon, en ze zijn zachtaardig en aantrekkelijk. Het valt moeilijk te geloven dat dit beeldschone land het terrein is waar zich de wreedheden van Pol Pot hebben afgespeeld. Iedereen die ik tegenkwam, had een andere verklaring voor de manier waarop de Rode Khmer zich had kunnen manifesteren, maar geen van die verklaringen klonk logisch, precies zoals geen van de verklaringen voor de culturele revolutie of voor het stalinisme of voor het nazisme logisch klinkt. Dergelijke dingen overkomen gemeenschappen, en achteraf bezien is het mogelijk te begrijpen waarom een volk er zo gevoelig voor was; maar waar in de menselijke verbeelding dergelijk gedrag vandaan komt, kan niemand weten. Het sociale netwerk is altijd heel teer, maar men kan onmogelijk begrijpen hoe het zo totaal heeft kunnen verdwijnen in de maatschappijvormen. De Amerikaanse ambassadeur vertelde me dat het grootste probleem voor het Khmervolk is dat de traditionele Cambodjaanse maatschappij geen vreedzaam mechanisme voor het oplossen van conflicten kent. 'Als ze problemen hebben,' zei hij, 'moeten ze die ontkennen en volstrekt onderdrukken, of ze moeten de messen te voorschijn halen en vechten.' Een Cambodjaan uit de tegenwoordige regering zei dat de mensen te lang onderdanig waren geweest aan een absolute monarchie, en er niet over piekerden tegen het gezag te strijden, totdat het te laat was. Ik heb minstens een tiental andere theorieën vernomen; ik blijf sceptisch.”

Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 35

[ccv] Solomon, A., Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie, Amsterdam 2001 (Anthos) p. 38-39

[ccvi] Juarroz, R., Vertikale Poesie. Poesía Vertical. Werkauswahl, Salzburg und Wien 2005 (Jung und Jung) p. 253

[ccvii] Vgl. Levinas, E., Van het zijn naar het zijnde, Baarn  1988 (Ambo) p. 75-78

[ccviii] Levinas, E., Van het zijn naar het zijnde, Baarn  1988 (Ambo) p. 75

[ccix] Levinas, E., Van het zijn naar het zijnde, Baarn  1988 (Ambo) p. 76

[ccx] Levinas, E., Van het zijn naar het zijnde, Baarn  1988 (Ambo) p. 77

[ccxi] Vgl. Levinas, E., Van het zijn naar het zijnde, Baarn  1988 (Ambo) p. 77

[ccxii] Vgl.Hans Blumenberg over de droomduiding in het werk van Sigmund Freund in: Blumenberg, Hans, Die Lesbarkeit der Welt, Frankfurt am Main 1986 (Suhrkamp Verlag) p. 349-353

[ccxiii] Vgl. Castaneda, C., Die Lehren des Don Juan. Ein Yaqui-Weg des Wissen, Frankfurt am Main 1979 (Fischer Verlag)

Castaneda, C., Reise nach Ixtlan. Die Lehren des Don Juan, Frankfurt am Main 1979 (Fischer Verlag)

Castaneda, C., Eine andere Wirklichkeit. Neue Gespräche met Don Juan, Frankfurt am Main 1978 (Fischer Verlag)

Castaneda, C., Der Ring der Kraft. Don Juan in den Städten, Frankfurt am Main 1978 (Fischer Verlag)

Castaneda, C., Der zweite Ring der Kraft, Frankfurt am Main 1980 (Fischer Verlag)

Castaneda, C., Die Kunst des Pirschens, Frankfurt am Main 1981 (Fischer Verlag)

Castaneda, C., The Fire From Whitin, New York 1984 (Simon and Schuster)

Castaneda, C., The Power of Silence. Further Lesson of Don Juan, New York 1988 (Simon and Schuster)

[ccxiv] Vgl. Oomen, P., Osse, Jan W.M., Kirkels, Vincent G.H.J. (red.), Cyberspace. zijn, denken en bewegen in een grenzeloze wereld, Analen van het Thymgenootschap jr. 94 (2006) afl. 2 p. 124 e.v.

[ccxv] Vgl. Fuchs, H.J., Entfremdung und Narzissmus. Semantische Untersuchungen zur Geschichte der “Selbstbezogenheit”als Vorgeschichte von französisch “amour propre”, Stuttgart 1977, (J.B. Metzler)

Van de Spijker, H., Narzisstische Kompetenz Selbstliebe Nächstenliebe. Sigmund Freuds Herausforderung der Theologie und Pastoral, Freiburg Basel Wien 1992 (Herder)

[ccxvi] Vgl. Oomen, P., Osse, Jan W.M., Kirkels, Vincent G.H.J. (red.), Cyberspace. zijn, denken en bewegen in een grenzeloze wereld, Analen van het Thymgenootschap jr. 94 (2006) afl. 2 p. 124 e.v. p. 144-146

[ccxvii] Vgl. Kaeser, Eduard, Der Körper im Zeitalter seiner Entbehrlichkeit. Antropologie in einer Welt der Geräte. Essays, Wien 2008 (Passagen Verlag)

[ccxviii] Vgl. een bundel gewijd aan dit thema van het ouderworden in Nederland: Bode, Christina, Consoli, Luca (red.), Oud en jong. Verschillende generaties in Nederland, Annalen van het Thymgenootschap  Jrg. 98 (2010) afl. 1

[ccxix] Pizarnik, Alejandra, Genizas Asche, Asche, 1956-1971, Zürich 2002 (Amman Verlag) p. 57

[ccxx] Vgl. Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) p. 173-174

[ccxxi] Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) p. 173-174

[ccxxii] Vgl. Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) p. 167-168

[ccxxiii] Vgl. Levinas, E., De totaliteit en het Oneindige. Essay over de exterioriteit, Baarn 1987 (Ambo) p. 168

[ccxxiv] Vgl. Barthes, R., Das Reich der Zeichen, Frankfurt am Main 1981 (Suhrkamp) p. 76

[ccxxv] Vgl. de verwerking hiervan door Handke, P., Wunschloses Unglück, Erzählung, Frankfurt am Main 1974 (Suhrkamp)

[ccxxvi] Vgl. Alvarez, Der Grausame Gott. Eine Studie über den Selbstmord, Frankfurt am Main 1980 (Fischer) p. 245 e.v. over zijn eigen verlangen naar de dood

[ccxxvii] Vgl. Ringel, E., Das Leben wegwerfen? Reflexionen über den Selbstmord, Wien 1999 (Molden Verlag) p. 47 e.v. over de inperking van de leefwereld

[ccxxviii] Vgl. Brown, R.M., The Art of Suicide, London 2001 (Reaktion Books)

[ccxxix] Vgl. Alvarez, Der Grausame Gott. Eine Studie über den Selbstmord, Frankfurt am Main 1980 (Fischer) p. 188 e.v.; over zelfmoord en kunst p. 207 e.v.

[ccxxx] Vgl. Améry, J., Hand an sich legen, Stuttgart 1983 (Klett-Cotta) p. 25

[ccxxxi] Handke, P., Wunschloses Unglück, Erzählung, Frankfurt am Main 1974 (Suhrkamp) p. 77-78

[ccxxxii] Vgl. Handke, P., Wunschloses Unglück, Erzählung, Frankfurt am Main 1974 (Suhrkamp) p. 93

[ccxxxiii] Vgl. Améry, J., Hand an sich legen, Stuttgart 1983 (Klett-Cotta) p. 127

[ccxxxiv] Vgl. Agamaben, Giorgio, Was von Auschwitz bleibt. Das Archiv und der Zeuge (Homo sacer III), Frankfurt am Main 2003 (Suhrkamp Verlag) p. 36 e.v

[ccxxxv] Vgl. in dit verband het schrijven over dood en zelfmoord bij: Cioran, E.M., Die verfehlte Schöpfung, Frankfurt am Main 1981 (Suhrkamp)

Cioran, E.M., Lehre vom Zerfal, Übertragen von Paul Celan, Stuttgart 1979 (Klett-Cotta)

Cioran, E.M., Syllogismen der Bitterkeit, Frankfurt am Main 1980 (Suhrkamp)

Cioran, E.M., Vom Nachteil geboren zu sein, Frankfurt am Main 1979 (Suhrkamp)

Cioran, E.M., Werke, Frankfurt am Main 2008 (Suhrkamp)

[ccxxxvi] Vgl. Wils, Jean-Pierre, Ars moriendi. Über das Sterben, Frankfurt am Main. Leipzig 2007  (Insel Verlag) p. 119 e.v.

vgl. De Vroomen, Jacques, Sterven op het toneel, in: Mulder, Etty, Ester, Hans (red.), De schone verbeelding van de dood. Over verwerking en vormgeving van een levensprobleem, Nijmegen 1999 (University Press) p. 75-89

[ccxxxvii] Pizarnik, Alejandra, in einem Anfang war die Liebe Gewalt, Tagebücher, Zürich 2007 (Amman Verlag) p. 172; 323; 489

 

 

 

 


               

 

 

 

Share |

 Free counter and web stats

canandanann 07-04-2011